Zelfs de kus is anders in de Judas Passie
Jeroen van Merwijk en Egon Kracht maken met Judas Passie een mooi alternatief voor Matteus en Johannes.
Het cruciale moment in de Judas Passie is de kus die Jezus aan Judas geeft, een Jezuskus in plaats van een Judaskus, zoals alles in deze passie anders is dan we gewend zijn. Ja, er zijn koortjes en aria's, maar ze worden begeleid door jazzy sluipbassen en grooves met hitpotentie, en bovendien doet deze passie met een lengte van vijf kwartier geen overmatig beroep op het zitvlees.
Het begon allemaal met de ontdekking van het 'Evangelie van Judas', dat in 2005 boven water kwam, een tekst uit de derde eeuw na Christus. Judas, in de Bijbel de aartsverrader, wordt hierin juist afgeschilderd als de nobelste aller discipelen, die Jezus op diens eigen verzoek overlevert aan de Romeinen. In Vlaanderen werd er vorig jaar al een muzikale bewerking van gemaakt, nu heeft ook Nederland zijn alternatief voor de talrijke Mattheussen en Johannessen in de Paastijd.
Librettist Jeroen van Merwijk liet de nogal wazige tekst van de apocriefe evangelist links liggen, en componeerde een eigen tekst met summiere verwijzingen naar Bachs passies. Zwaartepunt van het drieluik is het middendeel, waarin Judas door de Duivel wordt blootgesteld aan drie verzoekingen. Maar hij zwicht pas voor de smeekbede van Jezus.
Componist Egon Kracht, zelf bassist en leider van het negenkoppige orkestje, heeft het elegante libretto voorzien van even inventieve muziek, waarin elementen uit verschillende genres een hybride, maar passende combinatie aangaan, en onder regie van Dick Hauser werd het geheel een semi-concertante uitvoering, met licht en lopen, maar zonder kussen of knielen. Jezus wordt vertolkt door de hemels zingende countertenor Maarten Engeltjes, terwijl de als zanger minder geschoolde Frans van Deursen de rol van Judas speelt, wat ondermeer leidt tot een fraaie tweezang waarin Judas de blues zingt, waar Jezus zoetvloeiende koraalmelodieën tegenover stelt. Het vierkoppig koorensemble heeft ook een heterogene muzikale achtergrond, wat in de ensembles tot een wat schurende samenklank leidt.
Door de niet altijd even geschoolde zang en de vaak raak gevonden stijlpastiches doet Krachts passie menigmaal denken aan de Mattheus Passie die Louis Andriessen dertig jaar geleden componeerde voor toneelgroep Baal. Maar die voorstelling had uitgesproken vileine accenten, terwijl de Judas Passie nu juist een loflied op de liefde en de vriendschap is.
Volkskrant, Frits van der Waa
Zelfs de kus is anders in de Judas Passie Het is vast overdreven om de Judas Passion van Egon Kracht een hoogtepuntje te noemen uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Toch maakt deze passiemuziek over het lijden en sterven van Christus diepe indruk. Een agnosticus zou er haast gelovig van worden. In Zaandam beleefde dit toegankelijke geschreven werk donderdagavond, uitgevoerd door The Troupe, zijn wereldpremière. Kracht bewerkte eerder met succes Bachs Matthäus Passion. Zonder tekst, maar met gebruik van muzikale middelen van deze tijd bleek het barokke werk nauwelijks aan magische kracht te hebben ingeboet. Zelf een Passion schrijven is dan bijna een logische volgend stap. Heel verstandig koos Kracht een andere, verrassende invalshoek: waarom was het juist Judas die Christus verraadde? Ze waren immers boezemvrienden. Cabaretier Jeroen van Merwijk legt dat op verzoek van Kracht uit in een wondermooie poëtische tekst. Christus wil sterven aan het kruis, opdat Hij daarmee de mensheid van zijn zonden kan bevrijden. Daarvoor moet hij eerst worden verraden, een taak voor een echte vertrouweling. Maar begrijpt Judas Hem ook?
Duivelse keuze
Judas staat voor een duivelse keuze, die voor ieder mens maar al te herkenbaar is. Het publiek werd daar behoorlijk stil van. Niet in de laatste plaats omdat Kracht dit gegeven zonder meer briljant vertaalde in muziek. Om te beginnen laat hij Christus zingen door een klassieke countertenor, een hoge mannenstem. Maarten Engeltjes geeft als de gedroomde vertolker, de mooie lange melodische lijnen precies dat onbegrijpelijk etherische, waarmee Judas zo worstelt. Frans van Deursen is met zijn musicalstem de ideale Judas. Zo aards, zo menselijk. Een koor van vier zangers speelt een reeks van rollen, vooral die van verteller. Regisseur Dick Hauser laat dat alles gebeuren in een licht theatrale enscenering binnen een rustige abstracte achtergrond. Niets leidt af, het spel geeft de tekst slecht een versterkend accent. Het wonder van deze Passion is vooral de muziek. Helemaal van deze tijd, met de magische adem van Bach, Pärt en Messiaen. Waar nodig jankt een gitaar de blues, swingt er wat jazz, lijkt er wat musical te dansen of jubelt de barok. Nooit als nadrukkelijk gezocht effect, maar altijd als dienstbaar accent, dat even vanzelfsprekend verdwijnt als dat het kwam. De toon wordt gezet met een instrumentale inleiding, toonbeeld van de ongebruikelijke, maar veelzeggende orkestratie. Rijk aan nieuwe klankkleuren. Uit de sonore aardse klank van de contrabas doemt de naar de hemel stijgende stem op van de vibrafoon. Een aankondiging vol suspense van de confrontatie tussen Judas en Christus. Kracht maakt dankbaar gebruik van de persoonlijke kwaliteiten die deze musici van zijn orkest in huis hebben. Zoals trompettist Angelo Verploegen. Zijn handvol fluwelen solo’s op de bügel maakt duidelijk dat ook Miles Davis niet voor niets heeft geleefd.
Hans Visser
Knarsende melodie op mooie, persoonlijke tekst
CABARET - Jeroen Zijlstra woont het liefst aan de rand van het wad, of aan de rand van de stad, en geniet het meest van het laatste avondlicht. Hij heeft niets met het veilige midden en de volle zon, want aan de onzekere, bijna anarchistische buitenkant kun je de boel beter verkennen.
In Randgeval, het openingsnummer van zowel de cd (zijn achtste sinds zijn debuut tien jaar geleden) als het gelijknamige theaterconcert Liefde & Dorpsgevoel, legt Jeroen Zijlstra meteen zijn beste kaarten op tafel: mooie persoonlijke tekst, knarsende, maar toch vloeiende melodie en veel ruimte voor zijn swingende pianist Pieter Jan Cramer.
Zijlstra wordt steeds beter. De band rond zanger/trompettist Jeroen Zijlstra heeft van Nederlandse kleinkunst-jazz een interessant genre gemaakt, met eigenlijk maar één deelnemer. De muzikale en tekstuele stemmingswisselingen van melancholie naar romantisch realisme maken Liefde & Dorpsgevoel tot een knap werkstuk. Een enorme domper voor de band is het verlies van saxofonist Rutger Molenkamp, geveld door MS. Gelukkig is hij nog wel componist en zit hij achter het mengpaneel.
Groot en klein komen bij Zijlstra harmonieus samen. Als voormalige zeevisser blijft de hang naar de ruige, weidse zee prominent, maar aan de wal hunkert hij naar het dorp en de kleinschaligheid. Hij beschrijft meesterlijk het jaren zestig-gevoel van de dorpswinkel en Bazooka-kauwgum: ‘Van Bazooka’s kon je roze bellen blazen. Als het mis ging zat de kauwgum in je haar.’
Op een paar kleine muzikale missers na (de saaie Meeuwenblues) is Liefde & Dorpsgevoel een waar genot voor het oor. Een van de hoogtepunten is het begrafenislied Stoet (‘Dood hangt in de bomen/Licht brandt in de kerk’), dat enerzijds een droeve dodenmars is, maar door de frivole accordeon ook een on-calvinistische ode aan het leven. Het is die rust met een kartelrandje die Zijlstra zo opwindend maakt.
Volkskrant, Patrick van den Hanenberg, 24 november 2009
Dochter op jacht naar een losgeslagen vader
JEUGDTHEATER - De titel klinkt gretig, egoïstisch en symptomatisch voor deze gulzige tijd. Ik wil alles! heet de muziektheatervoorstelling (vanaf 8 jaar) die regisseur Dick Hauser maakte op basis van de VPRO-animatie-serie Wensdroom. De jonge actrice Mariëlle Woltring doet daar nog een schepje bovenop door uit volle borst te zingen: ‘Ik wil alles en ik wil het nu! Alles wil ik vandaag.’
Ondertussen steekt ze haar kop uit het opendak van een half doorgesneden Volkswagen Kever. Achter haar trekt op doek een snelweg voorbij (animatie Jola Hesselberth). Soms tollen de beelden van alsmaar draaiende en fietsende mensfiguurtjes als venster op de immer doorbewegende maatschappij.
Dit kind Sanne, een puber, is echter niet de echte gulzigaard in het verhaal. Dat is haar vader. Of beter: was haar vader. Nu heeft hij genoeg van baan en sleur. Hij wil nog wel alles, maar dan alles totaal anders. Daarom loopt hij stiekem weg tijdens een vakantie met zijn dochter. Sanne gaat hem zoeken, samen met de zoon van de campingwinkeleigenaar, die ook wel eens wat spannends wil meemaken. Terwijl zij op jacht gaan naar de losgeslagen vader, wankelt hij voorbij, als weerwolf, als indiaan, als weirdo, zeg maar als veertiger in een midlifecrisis. Bob Fosko speelt hem zoals je van Bob Fosko kunt verwachten: rauw, schreeuwerig, onaangepast en eerlijk. Herkenbaar zijn ook de live gespeelde compositie van Henny Vrienten en Liesbeth Esselink, een mix van nederpop en paddodisco. Tegen het eind stokt het verhaal echter en begint de motor te pruttelen. De hereniging kan emotioneler. Maar grappig en tegendraads is het wel, dit nedertheater in lekker roestig blik.
Volkskrant, Annette Embrechts op 17 november 2009
Van Peter Zegveld
Regie: Mark Whitelaw & Dick Hauser
De onweerstaanbaarheid van een rode knop
Waarvoor is dat knopje? heet de nieuwste voorstelling van theatermaker Peter Zegveld voor publiek vanaf 5 jaar. De titel doet denken aan vingervlugge jochies die geen weerstand kunnen bieden aan knopjes op apparaten. Je verdenkt Zegveld ervan zelf ook zo’n ventje te zijn geweest: in menig voorstelling frunnikt hij aan bizarre machines die pruttelend en ronkend geluid produceren.
In deze productie zijn echter nauwelijks tastbare apparaten te vinden. De hele omgeving waarin Zegveld acteert met actrice Miriam van de Wiel bestaat uit door hem getekende animatiefilmpjes, geprojecteerd op doek. De jongen om wie het draait, is een stripfiguur, zo’n slungel in groen shirt uit de vroegere 7-Up reclame, die van de trap valt en door straten sloft. Daar vindt hij een opvallende Rode Knop, zo’n ding dat vroeger symbool stond voor het ontketenen van de Derde Wereldoorlog.
Met Zegveld en Van de Wiel in allerlei dubbelrollen ontrolt zich een filmisch verhaaltje waarin de knop uitgroeit tot Gezocht Object. Niemand heeft er nog op gedrukt en dat maakt het ding alleen maar Belangrijker.
Zegveld is op dreef als domme, norse politieman. Van de Wiel moet als aangever nog op stoom komen. Maar grappig is wel hoe beiden hun karikaturale personages naadloos invoegen in de tweedimensionale wereld van de animaties, die ze handmatig te voorschijn toveren. Het onderscheid tussen echt en getekend vervaagt volledig. Totdat een druk op de knop tijdens het verrassende slot iedereen weer terugbrengt in de realiteit.
Volkskrant, Annette Embrechts
Met de titel van de voorstelling ‘Waarvoor is dat knopje?’ is de helft van de credits al verdiend. De komische titel wekt nieuwsgierigheid en spreekt tot de kinderverbeelding. Het begin is dus al goed. We hebben er zin in.
Een andere sterke troef is dat de hoofdpersoon van de voorstelling is getekend. Hij is geen acteur van vlees en bloed, maar een animatiejongen die op witte schermen wordt geprojecteerd. Wat een vondst! Wij hebben het nooit eerder gezien. Overigens weten we de naam en leeftijd van de jongen niet, maar die zijn ook niet zo van belang: wat hem gebeurt kan ons allemaal overkomen.
De enige twee acteurs van vlees en bloed in dit stuk voor 5 jaar en ouder zijn Peter Zegveld en Miriam van de Wiel. Beiden hebben dubbelrollen. Zegveld is politieagent, vuilnisman en stoere zeebonk. Van de Wiel is politieagente, de moeder van de jongen, een vrome non en nog veel meer. Peter Zegveld tekende ook voor het script en de tekenfilmpjes. Want niet alleen de hoofdpersoon is getekend, ook een groot deel van het decor is dat. We zien op verplaatsbare witte schermen een drukke rotonde met een fontein in het midden. En we zien een straat met hoge grijze huizen. Op straat ligt een grote rode knop. En die rode knop vormt de rode draad.
De getekende jongen vindt de knop. Door ingenieus gegoochel met het scherm waarop de jongen staat, verdwijnt de echte knop en krijgt hij hem getekend in handen. En dat is het begin van het gedonder. Twee politieagenten zitten hem van nu af aan op de hielen en gooien hem ook daadwerkelijk in het gevang. Waarom is niet helemaal duidelijk. Misschien heeft het iets te maken met zijn ruzie met een oud vrouwtje (de zoveelste sprankelende rol van Van de Wiel. Wat een grappige mimiek heeft zij). Op de flyer van ‘Waarvoor is dat knopje?’ staat ‘Wat zou jij doen als je in de gevangenis zat omdat je niet op een knopje had gedrukt?’, maar dat begrijpen we niet. Die tekst komt niet overeen met wat in de voorstelling gebeurt. Maar goed, het hoe en het waarom van dat gevangenschap laten we in het midden. Bij kindervoorstellingen moet je je sowieso niet te veel bezighouden met oorzaak en gevolg. Dat doet het jonge publiek zelf ook niet. Dat gaat meestal heel makkelijk mee in het voorgeschotelde. En zit niet met vragen als ‘Huh, hoe kan dat nou?’
‘Waarvoor is dat knopje?’ is een drukke voorstelling. In bijna anderhalf uur zien we die projectieschermen met van alles erop, we zien Zegveld en Van de Wiel als veel maffe personages opduiken, we horen swingende muziek door de speakers (is dat Glenn Miller? Fijn voor de ouders en grootouders!) en wordt er op het podium ook nog live gemusiceerd. Een fantastisch lied van de twee agenten over veiligheid, dat wel: “Ga op tijd naar de wc. Ga nooit te ver in spagaat. Neem altijd een pleister meer. Voor je het weet heb je die snee.” Maar al met al is het heel veel en zijn we echt moe als we weer buiten staan. Moe, maar voldaan. Dit was een hele bijzondere voorstelling.
Trouw, Elisabeth Heijkoop
Straffe mars ontaardt in pure chaos
WIJK AAN ZEE
'Waarom kijk jij mij niet aan/Jij dichtgevroren vijver/Moet ik wachten tot 't dooit/Of een wak in je slaan.'
Iedereen die Zie de mannen vallen (1979) heeft gezien, de laatste voorstelling van het legendarische muziektheatercollectief Hauser Orkater, zal direct de dramatisch prettig zeurende melodie te binnen schieten, die bij deze woorden van Alex van Warmerdam horen. Bij dat slome muzikale touwtrekken past perfect de slepende stem van Maarten van Roozendaal. Dat cadeautje werd afgelopen weekeinde uitgedeeld op het Jutterfestival in Wijk aan Zee.
Programmeur (en bassist bij Maarten van Roozendaal) Egon Kracht heeft van dit zomerfestival een interessante jaarlijkse theaterbijeenkomst gemaakt. Niet in de laatste plaats door de speciale voorstellingen die hij met zijn Troupe maakt. Een paar jaar geleden haalde hij de rockmusical Joe's Garage van Frank Zappa uit de kast, en dit jaar bracht hij een ode aan Hauser Orkater. Die twee projecten liggen in elkaars verlengde, want de dwarse muziek van Hauser Orkater, een fusie van de Amsterdamse arty popformatie van Dick Hauser en een groep creatieve geesten die zich had verzameld in het Witte Tejater in IJmuiden, kent veel Zappa-elementen. Soms lopen de composities uit in geweldige bombast, een straffe mars ontaardt in pure chaos, een smartlaptekst als Azijn ('Alles smaakt naar azijn/Leven bezorgt mij pijn/Ik tors de twijfel/Ik wil gelukkig zijn') krijgt een prachtige Jordaanrock-behandeling, en er is altijd ruimte voor een snoeiharde blazer- of gitaarsolo van Milan Kracht of Marcel de Groot.
Ook al zijn de basisritmes van de nummers behoorlijk gelijkmatig, voor het invallen moeten de zangers goed kunnen tellen en een ingebouwd muzikaal anarchisme bezitten. Daarom was het ook om technische redenen een prima idee om een aantal steunpilaren van de oorspronkelijke Hauser Orkater bij de voorstelling te betrekken. En zo stonden naast Van Roozendaal en vast Troupe-lid Frans van Deursen ook Gerard Atema, Chris Bolczek en componist Thijs van der Poll als zangers op het podium.
De Franse krant Le Monde noemde de groep destijds 'elf Buster Keatons op bezoek bij Beckett'. De fysieke kant van die omschrijving ontbrak natuurlijk, maar ook in de liedteksten en de muziek werd die aanduiding in Wijk aan Zee door deze formatie waargemaakt.
Bizar dat de namen van de componisten en tekstdichter Alex van Warmerdam niet een keer werden genoemd en jammer dat de muziek niet in de context van de programma's werd geplaatst, zodat de surrealistische teksten van Van Warmerdam wat meer op hun plaats konden vallen. Dat kan worden goedgemaakt, want dit Hauser Orkater-feest, dit geweldige toetje van het theaterseizoen, schreeuwt natuurlijk om een tournee.
Patrick van den Hanenberg, gepubliceerd op 05 juli 2009
Geschiedenis van Hauser Orkater in boek
Ongekunsteld, doorwrocht en onbegrijpelijk
De enige manier om er greep op te krijgen is erheen gaan en de verwondering haar werk laten doen. Aldus Lutgard Mutsaers in haar biografie van Hauser Orkater. 'Elf herman van veentjes'. Zo zou je de spelers van het roemruchte, vernieuwende muziektheatergezelschap Hauser Orkater nou niet meteen betitelen, maar het was dan ook Herman van Veen die dat deed. Begin jaren zeventig, wanneer de club rond Alex en Marc van Warmerdam en Dick en Rob Hauser nog niet wezenlijk is doorgebroken. Van Veen ziet een optreden, is enthousiast en biedt hun de diensten van zijn Harlekijn Holland BV aan. Kort daarop, schrijft Lutgard Mutsaers in Hauser Orkater, helpt Van Veen met 'hoezen lijmen' voor hun eerste lp.
Dat zijn aardige details waarmee Mutsaers haar geschiedenis van de groep verluchtigt, en waarnaar je – na weer een aantal pagina's gedetailleerd en nauwgezet gepresenteerd onderzoeksresultaat in de vorm van data, namen, plaatsen, (parallelle) ontstaansgeschiedenissen (van andere muziekbandjes en theatergroepjes tot en met het katholicisme in IJmuiden) en krantencitaten – ook echt uitkijkt. Maar dan zijn ze er ook.
'Hauser Orkater was ongekunsteld, toegankelijk en eenvoudig, en tegelijkertijd doorwrocht, afstandelijk en onbegrijpelijk. De enige manier om er feeling mee te krijgen, was er naartoe te gaan en de de verwondering haar werk te laten doen', aldus Mutsaers in de 'Sneak Preview' van de biografie – waarmee ze zelf al aangeeft hoe moeilijk het zal zijn de geest van deze groep in woorden te vangen.
Toch krijg je er wel een aardig beeld van. Van het ontstaan van het Hauser Kamer Orkest, het begin van het Witte Tejater in IJmuiden, en het samengaan van een stel gedreven, eigenwijze, getalenteerde zielen die de meest uiteenlopende kunstvormen niet schuwden. Van hoe mensen erbij kwamen en weer vertrokken, hoe er uiteindelijk toch geen warme samenwerking met Herman van Veen in het vat zat, en hoe de groep andere kunstenaars beïnvloedde, zoals filmmaker Frans Weisz: 'Ik kon er ongelooflijk gelukkig van worden als ik ze zag. Tientallen keren heb ik ze gezien. Door Hauser Orkater ben ik opgehouden met vreselijke dingen te maken als Naakt over de schutting en Heb meelij Jet.' Uiteindelijk ging Weisz een paar maal met Hauser Orkater in zee.
Mutsaers – onder meer co-auteur van Een muziekgeschiedenis der Nederlanden – gaat grondig te werk, op een wijze die doet denken aan die van een documentairemaker: alinea's met feiten en wetenswaardigheden worden afgewisseld met interviews. Niet dat daarin wordt gestotterd of naar woorden wordt gezocht, maar de geciteerde verhalen zijn soms nogal wijdlopig, en vreemd genoeg eenvormig: de verschillende stemmen binnen de groep zoals die naar voren komen uit de beschrijvingen, hoor je niet of nauwelijks terug in de gesprekken.
Een en ander heeft tot gevolg dat de biografie zich niet laat lezen als een opwindend verhaal over een spannende groep mensen, iets dat je toch zou verwachten bij Hauser Orkater. Maar voor de ingewijde die alles nog eens op een rijtje wil zetten en een paar leuke foto's wil zien, is het wel de moeite waard.
Karin Vervaart, gepubliceerd in de Volkskrant 3 juli 2009
Amsterdam, zaterdag 9 mei 2009
Geschiedenis van Hauser Orkater in boek
Cultuurhistorica Lutgard Mutsaers schreef een biografie van muziektheatergroep Hauser Orkater, voorloper van de stichting Orkater. Ze bekeek en beluisterde alles wat van deze volgens haar legendarische theatergroep bewaard is gebleven, sprak met iedereen die er ook maar iets over kon vertellen. Nu is er een degelijk, serieus naslagwerk. Helaas zonder geluid en met bijna geen beeld.
Tussen 1972 tot 1980 veroverde Hauser Orkater Nederland en nog wat stukjes van de wereld met een unieke en ongekend geestige manier van theater maken. Dat zij - de broers Alex, Marc en Vincent van Warmerdam, de broers Rob en Dick Hauser, Thijs van der Poll, Jim van der Woude, Chris Bolczek, Eddy Wahr, Peer Mascini niet te vergeten - nog eens met al hun vondsten en voorstellingen onderwerp zouden worden van wetenschappelijk naslagwerk, is natuurlijk nooit in hun hoofd opgekomen. Ze hadden en hebben wel iets anders aan hun hoofd. De première van de nieuwe film van Alex bijvoorbeeld.
Maar Ludgard Mutsaers (1953), in die jaren zeventig studente theaterwetenschappen en nu een gepromoveerde cultuurhistorica, kijkt daar - en niet alleen beroepshalve - anders tegenaan. Zij was een fan van het eerste uur. Toen zij Hauser Orkater die eerste keer zag in het Amsterdamse Shaffy Theater, was ze flabbergasted. Ze werd er - het klinkt een beetje zweverig, maar ze meent het - 'gelukkig' van. Heerlijk vond ze het, zegt ze. "Zoals van de Beatles mijn oren opengingen, had ik bij Hauser het gevoel: wat heerlijk dat dit bestaat." Dat is uiteindelijk een goede aanleiding om een biografie te schrijven. En natuurlijk: "Eigenlijk werd ik, toen ik van Marc in al die archieven mocht kijken, op dezelfde manier weer een beetje gelukkig."
Mutsaers - als auteur van standaardwerken over eigentijdse muziek(geschiedenis) wordt ze wel de popprofessor genoemd - heeft de biografie wetenschappelijk aangepakt; het boek bevat een enorme hoeveelheid informatie. Ze ploos hier en ze keek daar en dankt de goden voor de bewaardrift van Marc van Warmerdam. Dankzij hem is in het Orkaterpand op de Archangelkade een schat bewaard van papier, foto's en geluidsbandjes, waardoor de hele wordingsgeschiedenis van de volgens haar legendarische theatergroep te reconstrueren was.
Marc van Warmerdam: "Zo weet ik nu dat we drie maanden langer bestaan dan ik altijd dacht. En dat mijn broer hier binnenkwam en zei: 'Heb ik dat gemaakt? Dat wist ik niet meer."
Nu is voor het nageslacht vastgelegd hoe in IJmuiden begin jaren zeventig wat jongens uit de muziek en wat jongens die op hun eigen manier zo eens wat theater wilden maken, elkaar troffen. Wel of niet toevallig allemaal talenten die ook nog eens gezamenlijk de ene voorstelling na de andere in elkaar zetten, waarmee zij Amsterdam en daarna de rest van de wereld veroverden. Precies acht jaar. En toen ging eenieder zijns weegs, op de weg die ze al waren ingeslagen.
Allemaal zijn ze nog steeds aan het verzinnen, componeren, voorstellingen aan het maken, filmen.
De stichting Orkater is nu een soort productiehuis, waarin zijn ondergebracht De Horde en De Mexicaanse Hond, waar in wisselende samenstellingen en juist ook weer met jonge talenten de ene voorstelling of film na de andere wordt gemaakt. "Want eigenlijk zijn de mannen nog hetzelfde," zegt Mutsaers, die alle Orkaterleden uitgebreid heeft gesproken. Ze klinkt tevreden. "Ze hebben zelfs allemaal hun haar nog; alleen zijn de krullen nu grijs."
Die grijze krullen, dat is natuurlijk Marc van Warmerdam. Hij zou er niet over piekeren zelf de stap richting biografie te zetten. "Dat moeten anderen maar doen. Ik ben niet van de jubilea. Ik vind datgene wat we over een jaar doen, belangrijker dan wat we dertig jaar geleden deden. De Van Warmerdammen zijn overigens wat calvinistisch. Dat speelt ook een rol. Maar we hebben ons archief wel beschikbaar gesteld. Daarin zit zo veel, ze werd er helemaal gek van."
In dat archief zit veel meer dan speellijsten, notulen of bonnetjes. Er zijn, zegt Marc van Warmerdam, verschrikkelijk veel foto's. Ook zijn beeld en geluid bewaard. Het grote gemis aan de biografie is dat al die beelden en geluiden ontbreken. Het is een gewoon boek, kleine bladspiegel, met achterin precies achttien pagina's zwartwitfotootjes van voorstellingen en affiches. Materiaal dat je graag groter en in kleur zou willen zien.
Marc van Warmerdam wil dat wel een gemiste kans noemen. "Jammer en eigenlijk ook een beetje raar. Zo veel foto's zijn er, schetsen en een hele berg muziek." Eigenlijk vindt hij het ook een beetje treurig voor de biografe, die anderhalf jaar aan deze biografie heeft gewerkt.
Mutsaers is de eerste om het gemis aan beeld en geluid te erkennen: "Een box met cd's en dvd's erbij, dat zou geweldig zijn geweest. Maar daar was geen geld voor. Maar beeld en geluid verzamelen is ook niet mijn vak, dus ik hoop dat anderen het nu zullen overnemen."
Van Warmerdam noemt de biografie nauwkeurig en compleet. "Maar zo compleet dat dat de leesbaarheid een beetje in de weg staat. Kijk, ikzelf ben ook dol op encyclopedieën, maar ik dacht tijdens het lezen wel eens: wie vindt dit nou leuk? Ook daarom zou een box veel mooier zijn geweest. Dus moet er nu eigenlijk een goede uitgever komen."
Loes de Pauwe, Het Parool
STOERE 9(ZEE)MAN MET HESE STEM ZINGT ALS VADER VOOR ZIJN KIND
Al in zin een van lied een gaat het over varen. Bij Jeroen Zijlstra zijn de zee en de haven nooit ver weg. Tien jaar geleden begon Zijlstra (1958) een carrière in de muziek, na eerst vijftien jaar te hebben gevaren op de vissersvloot van Den Oever. In stevige ballades zingt hij over zijn jeugd, de liefde en het leven op zee. In zijn nieuwe programma Vergezichten brengt hij voornamelijk oude nummers, waarmee hij nu zijn tienjarig jubileum viert en de balans opmaakt. Zijn fans in de zaal neuriën mee, bij melodieuze nummers als De Pont naar Noord wordt zelfs hardop meegezongen. Zijn lied Blues voor Slauerhoff is in alles Jeroen Zijlstra: over een eenzame zeeman die nog lang geen land in zicht heeft en een geliefde een brief schrijft. De melodielijn is melancholisch, de trompet slepend en de tekst slim. ‘Waar ligt de haven?/ Ik zoek kust voor kust naar mijn plek’.
Zijlstra brengt zeemansliederen van nu; van pakkende inhakers tot meer ondoorgrondelijke nummers met jazzy melodieën. Zijn inspiratiebronnen variëren van de dichter Slauerhoff tot zanger John Mayor. Ook als het niet over varen gaat, gebruikt hij woorden uit de zeevaart. Natuurlijk kun je kritiek hebben op de beeldspraak over havens en boten of het gedweep met het zeemansbestaan, maar Zijlstra kan het maken, omdat hij niet vervalt in clichés en hij het zonder opsmuk brengt. Ruwe bolster, blanke pit – dat is Jeroen Zijlstra. Een stoere man met opvallend melancholische nummers, zonder vals sentiment. Hij heeft een markante stem: doorleefd, bijna hees, maar toch ook breekbaar, met soms een hogere uithaal. In zijn kleine liedjes weet hij dankzij die stem een intieme sfeer te creëren, waarbij je je even het kind waant, dat in bed door zijn vader wordt toegezongen. Een goed voorbeeld is het nummer Breek, waarin hij in staccato zinnetjes aanspoort om uit de sleur te breken. Een poëtische tekst, die door herhalende elementen goed aankomt. Zijlstra zingt in beelden. Hij beschrijft details, zoals in zijn evergreen Durgerdam Slaapt waarin hij de sfeer ’s ochtends vroeg in zijn woonplaats treffend typeert. Met het lied won hij in 2002 de Schmidtprijs. Als hij het nummer aan het eind van de voorstelling akoestisch brengt, zingt het publiek net zo zachtjes mee – een bloedmooi moment.
Muzikaal zit het ook nu weer goed, dankzij zijn uitstekende driekoppige band, waarbij toetsenist Pieter Jan Cramer opvalt door zijn veelzijdigheid. Naast blues en ballads brengt Zijlstra in zijn nieuwe voorstelling ook weer jazzy nummers. Als Zijlstra zijn trompet pakt, staat hij zomaar een potje te jammen met zijn muzikanten en verandert de schouwburg van Hoofddorp voor eventjes in het Bimhuis – ook de jazzliefhebber komt aan zijn trekken. De afgelopen tien jaar bouwde Zijlstra gestaag aan een eigen achterban. Hij heeft zijn nieuwe verzamelalbum in eigen beheer uitgeheven. Het is het waard om door een groter publiek te worden beluisterd.
De Volkskrant, 2 februari 2009, Merijn Henfling
In augustus is het Zuiderzeemuseum het decor voor een veelzijdig theaterproject van theatermaker Dick Hauser en Buro Saai. Vier weekenden lang stuit de bezoeker op diverse locaties in het museumpark op verrassende theatrale scènes. Op het oog lijkt er niets aan de hand in het museumpark met zijn historische huisjes omringd door de voormalige Zuiderzee. De voorstelling ‘Er was eens een dorp’ verrast de bezoeker echter met opvallende mensen en opmerkelijke gebeurtenissen. Het gezelschap brengt in het museumpark een voorstelling van vijftien korte en langere scènes, die naast elkaar en na elkaar te zien zijn. Alles is zoals het was en toch is niets wat het lijkt. Bezoek het huisje van een ouder echtpaar en luister naar hun frappante herinneringen, ga langs bij de bakker die in een explosieve dans zijn broden bakt of loop binnen in de school waar een bijzondere lerares haar dictee voorleest.
Sprookjes zijn vaak wreed of bizar, maar als ze mooi verteld worden zijn ze onweerstaanbaar. Andersen, de beroemde sprookjesmeester, is na ruim honderdvijftig jaar nog altijd meeslepend – en wie niet lezen wil moet horen, vonden acteur Faruk Dikici en tekstschrijver Ergun Simsek. Zij maakten een lichtelijk ‘verturkste’ versie van Andersens verhaal De reisgenoot en Ron Ford schreef er muziek bij. Muziek en verteller stuwen de jonge hoofdpersoon Yunus voort op zijn avontuurlijke reis die begint met de vondst van een dode. Dan doemt de ‘reisgenoot’ op, een mysterieuze beschermengel die kracht geeft in hopeloze situaties. Waar de verteller zwijgt verhaalt de muziek verder, aangevuld met poppenspel en diaprojecties. Een spannende mini-opera met gesproken tekst in plaats van zang. Woorden, klanken en beelden volgen Yunus op zijn zoektocht naar de vrouw van zijn dromen.
Verzadigd is het juiste woord voor de gemoedstoestand waarmee je de theaterzaal verlaat als het laatste applaus verstomt. Er is zoveel gebeurd in twee uur, er zijn zoveel zuivere noten gespeeld, zoveel liedjes gezongen die precies gaan over het leven dat zich om je heen afspeelt. Het enige wat je wilt is naar de auto en in stilte naar huis rijden.
‘Muziek maakt blij, ontroert en geeft troost.’ Volgens het programmaboekje is dit de samenvatting van het theater. MaarTroost geeft je geen troost, het gaat over troost. De voorstelling geeft je medeleven en vreugde, doet je verdriet en haalt herinneringen boven. Troost loopt in een schouwspel van emoties als de mooiste draad in een borduurwerk door alle liedjes heen.
De liedjes zijn zelf geschreven, door anderen geschreven of ze zijn vertaald. Regisseur Dick Hauser heeft er in elk geval alles aan gedaan om alleen die liedjes te zoeken die op de een of andere manier een duidelijke link met troost hebben. Toen de speellijst uiteindelijk vijfentwintig perfecte liedjes telde, kon het eigenlijk al niet meer mislukken.
Wat wil je ook met vier muzikanten van groot formaat en een band die tot in de puntjes op elkaar zijn ingespeeld? Het zijn Gerard Maasakkers, Jeroen Zijlstra en Lydia van Dam die hun stembanden laten klapperen en het publiek om de haverklap kippenvel bezorgen. De muziek die uit de boxen schalt, is loepzuiver doordat de band van Egon Kracht harmonisch inspeelt op het stemgeluid van de drie zangers. Het plaatje is helemaal compleet als de gitarist of de saxofonist een solo weggeeft, dan staat ook Gerard Maasakkers te swingen op het podium.
De liedjes gaan over troost. Maar troost is niet zielig, niet altijd. Gerard van Maasakkers roept dan ook verschillende keren “Er is bier genoeg” door zijn microfoon. Want het leven is niet altijd triest. Toch is triest een woord dat bij troost hoort en daarom herhaaldelijk terugkomt in de songteksten. Want als je zusje op jonge leeftijd doodgaat en haar naam vanaf dat moment een verboden woord wordt, dan is dat triest, ook al is er na veertig jaar verzoening en viert het hele gezin uiteindelijk haar vijftigste verjaardag. Of neem de oude man die vol liefde zijn vrouw elke avond op bed moet leggen. Als hij haar helpt op de wc en haar dan een kus op haar voorhoofd geeft, is dat pure liefde, maar ook triest.
Bier genoeg en tijd voor een polonaise, want we houden van friet en mayonaise. Een dergelijke strekking heeft het liedje waarmee de avond begint. Net als je voorbereid bent op een melancholische avond, word je teruggefloten en blijkt er ook ruimte voor feest te zijn. Want feest geeft vreugde en doet je even je verdriet vergeten. Feest vieren is troost ontvangen. Maar na een feest komt de pijn weer terug, want je man is nog steeds dood en je vrouw is er nog steeds vandoor met een ander. Stoppen die dingen dan nooit? Met de woorden van Aimee Mann, een groot singer-songwriter uit Amerika, zingt Lydia van Dam dat ‘het stopt wanneer jij zegt dat het stopt’.
Jeugdig enthousiasme, een prachtig decor en een groot aantal geestige en mooie scènes: dat zijn de ingrediënten van de voorstelling die "De nieuwe kleren van de Keizer" heet, maar niets meer van doen heeft met het originele sprookje.
Hofplein heeft al eerder sprookjes zodanig bewerkt dat er een volledig nieuw verhaal is ontstaan, en ook ditmaal zijn slechts een paar gegevens uit het oorspronkelijke sprookje gebruikt. Bij “De Nieuwe Kleren van de Keizer” pakt deze ingreep goed uit.
Waar het sprookje in één regel is samen te vatten, hebben we daar hier een flinke alinea voor nodig. In het keizerrijk Mooilawi slaat het noodlot toe. In een tsunami verdwijnt het keizerlijk echtpaar en moet de jonge, onzekere Jonathan hen opvolgen. In het buurland Oeimanda ziet de tirannieke koning Kristof hier een kans: een oorlog om zijn buurland te veroveren. In eerste instantie slaagt de roddelkoningin van Mooilawi, Olivia, met wie de koning een relatie heeft, hem hiervan te weerhouden. Ze stelt voor Jonathan via mediaterreur te verdrijven. Als echter Jonathan en de dochter van Kristof, Miranda, verliefd worden, wordt het toch oorlog. Een oorlog, die op een bijzondere manier afloopt, dankzij de creatie van de modekoningen Dolf & Frank.
De voorstelling begint met twee DJ’s op torens van metalen stangen. Het ziet er wat bizar uit, maar de lounge-klanken en rap geven een mooi begin aan de show. Als we vervolgens het keizerlijk paar in een speedboot in een boom zien hangen, en hen vervolgens de nooddienst en hun zoon zien bellen weten we dat het ook met de humor in deze voorstelling wel snor zit. De keizer en keizerin (Stan van der Burght en Niki Witjes) weten wel raad met hun komische momenten. Datzelfde kan worden gezegd van Lowik Pieters (een van de Kuifje-Zorrino’s) en Clara Peeters als de glimmend roze modekoningen Dolf en Frans. Olivia (Sheena Tschai) zingt fantastisch en speelt goed. Ook de stemmen van Miranda (Helene Binder) en dr Spin (Chloe Leenheer) zijn prima. De laatste doet zo een beetje vergeten dat haar rol voor het verhaal er met de (spinnen)haren is bijgesleept. De zwaarste rol is natuurlijk die van Jonathan. Ruben Kuppers moet deze onzekere knul overtuigend neerzetten, zonder dat we het gevoel hebben dat we naar een onzekere speler aan het kijken zijn. Hij slaagt hier in. Zowel bij het medaillemoment, in zijn twijfel en in de romantische scènes is hij heel geloofwaardig. Mooi is ook de scene waarin hij een wapen “leent” van het kleinste soldaatje en het moment waarop het wapen weer terugbelandt bij de oorspronkelijke eigenaar.
In de wintermusicals van Jeugdtheater Hofplein worden de jeugdige spelers meestal aangevuld met één of twee ervaren(er) acteurs. Bij deze voorstelling is dat Jacques Riebeek, die de rol van koning Kristof geweldig speelt. De tiran en de vader, overheersend en onder de plak, het komt er allemaal zeer goed uit. Vooral de scene waarin hij poseert voor zijn triomf-portret en waar fysieke en verbale humor perfect combineren, is geweldig geestig.
Door de voorstelling heen wandelt één instrumentalist: de goed spelende tenorsaxofonist Tom Leeuwenburg. Voor de beleving van de muziek is dit een goede zet; het geeft een stuk extra leven aan de muziekband. Voor het podiumplaatje werkt het soms niet helemaal. Waar hij in het leger van de prins wel op zijn plek is, vraag je je op andere momenten wel af wat hij daar aan het doen is.
De rare dj-torens deden even het ergste vermoeden over het decor, maar dit was onterecht. De voorstelling heeft een prachtig decor, wat met wat schuifwerk en takelwerk de diverse locaties mooi weet weer te geven. De oorlogsscène, is mede door decor en rookeffecten, van een zeldzame schoonheid. Maar bijvoorbeeld ook het bos, zeker als het in de droom van Jonathan voor het eerst verschijnt, is ook een plaatje. Hier is ook de choreografie op zijn best, net als in de scènes met de legers overigens.
Helaas is de afsluiter van het stuk een anticlimax. De rommelige polonaise op carnavalsmuziek is een stevige miskleun. Een elegante voorstelling rond koning en keizer, verdient of iets eleganters, of iets wat meer in de muziekstijl van de rest van de voorstelling past. Het is een smetje op een verder prima musical.
Al met al is de voorstelling zeker geslaagd. Je kunt je wel afvragen de aanbevolen leeftijdsgrens van vier jaar niet wat aan de lage kant is. Het verhaal is niet zo heel eenvoudig en zelfs voor volwassenen hebben even nodig voordat alles op zijn plaats valt. De cast die wij zagen was goed en had er duidelijk zin in. Je mag aannemen dat dat ook voor de ander cast geldt. Deze honderdste Hofpleinproductie is prima in orde.
Schreeuw levensleed van de daken
Liederen die door de ziel snijden. In zijn beroemde liedcyclus 'From Jewish Folk Poetry' (1948) verklankte componist Dmitri Sjostakovitsj op onnavolgbare wijze het leed van het joodse volk.
De tragiek en het bijtende sarcasme zijn in iedere noot voelbaar. Muziek die druipt van het drama. Dat hoorde ook regisseur Dick Hauser, bekend van onder meer muziektheatergezelschappen Hauser Orkater en De Horde. De muziek van Sjostakovitsj raakte een gevoelige snaar bij Hauser. "Het is ook de eerste keer dat ik me door een klassiek muziekstuk laat beïnvloeden."
Na een bezoek aan een concert van Frederike Bruijn, vroeg de zangeres of Hauser niets met deze liederen wilde doen. "Liedkunst als theater, maar dan moest ik wel een andere beleving creëren", bedacht Hauser meteen. "Geen pure dans of liedconcert, maar iets daartussenin, een nieuwe vorm." 'Songs from the Roof' is het resultaat. In de geest van Sjostakovitsj' cyclus heeft de voorstelling een subtiele onderhuidse politieke lading. Hauser laat zijn groep dansers en zangers een theatrale rol vervullen. De dansers verbeelden een groep illegale immigranten op een onbestemd stuk land en de zangers bewaken het gebied en oefenen hun macht uit. "Vanaf moment één rijst er een conflict. Pas aan het eind is er iets van toenadering en harmonie. Net als in de liedcyclus van Sjostakovitsj. Na schrijnende liederen over dood, armoede en verbanning, eindigt de cyclus optimistisch. Er klinkt hoop op verzoening." Het wordt geen theaterconcert van a tot z, benadrukt Hauser. "Maar de liederen moesten hun eigen filmische rustpunten en tijdsbeleving krijgen binnen de voorstelling."
Hauser nam contact op met de Amerikaanse/Nederlandse componist Ron Ford. Eerder had hij succesvol met Ford samengewerkt aan de familievoorstelling 'De Reisgenoot' voor verteller en orkest. Ford kreeg de opdracht om de liedcyclus voor het Rubens strijkkwartet en drie vocalisten te bewerken. Bovendien schreef Ford instrumentale variaties op Sjostakovitsj' werk die als rustpunten in de voorstelling moeten fungeren. "Zo is er meer ruimte voor solistische momenten voor de dansers en musici."
Voor de choreografie nam Hauser contact op met Sassan Saghar Yaghmai. "Een Iraanse choreograaf die gevlucht is voor Ayatollah Khomeini. Hij kan niet meer naar huis, heel heftig", weet Hauser. "Ook de andere deelnemers komen uit probleemgebieden, onder wie een Bosnische danseres en een Russische zangeres. Mensen bij wie je meteen voelt dat er een verhaal achter schuilgaat. Het publiek pikt dit ook op. Het is nergens expliciet, maar de levenstragiek kleeft aan deze voorstelling. Je moet stevig in je schoenen staan wil je dat niet ontroeren."
Door Mark van de Voort
Superhelden schilderen hun huis ook
In de jarenlang volgehouden tv-serie Superman zagen we de held in zijn gewone gedaante geregeld een bijdrage leveren aan het huishouden – maar bijna altijd zette hij er zijn gaven bij in. Wat dat betreft is Gutsman, gecreëerd door Erik Kriek en gespeeld door het nieuwe danstheatergezelschap Link, pas echt een bikkel: hij doet z’n klussen zonder hulp van buitenaf en trekt er zijn pak niet eens bij uit.
Honderd procent nieuw is het idee vast niet, maar het is ontzettend spannend om op het podium het ontstaan van een echte superheld te zien. Bijna letterlijk, want Erik Kriek, de schepper van Gutsman en andere karakters speelt een grote rol in dit danstheaterstuk. Sterker: bijna het hele concept is uit zijn pen gevloeid, want in zijn comics spelen net als op de vloer naast Gutsman ook katmeisje Tigra en hijzelf mee. Een belangrijk verschil: zijn strips zijn expliciet voor grote mensen, het theaterstuk is een flink stuk minder pikant en drankrijk want gemaakt voor kinderen vanaf tien jaar. Dat is een ruime grens, want kids vanaf een jaar of zes – en hun ouders – die niet schrikken van een beetje gekleed gerollebol en wat nepdronken ongein kunnen er ook prima naartoe. En dat is een aanrader, want in tegenstelling tot alle snelle, drukke, gewelddadige tekenfilms van nu is ‘Gutsman’ een prettige, rustig opgebouwde en prettig dansante vertelling over een gewone superheld, het meisje dat op zijn verzoek wordt gecreëerd en de belevenissen in en rond hun relatie. Geen bommen en granaten, geen grote mannen die de wereldheerschappij willen overnemen, geen bedreigers van de supermacht van de held – althans, zo lijkt het. De avonturen in Gutsman de voorstelling hebben een dagelijks karakter. Hoogstzelden zagen we superhelden immers een drankje drinken op het terras, het huis schilderen, laat staan stofzuigen of eten koken. De stoere gemaskerde draait er echter zijn hand niet voor om. Het huwelijksgeluk van de in strak pak gestoken Gutsman en zijn kattige meisje Tigra wordt al snel verstoord. Niet omdat zij zich zichtbaar ergert aan zijn onhandigheid, want dat hoort nu eenmaal bij een relatie. Maar zijn enorm late, dronken thuiskomst van een avondje stappen met zijn schepper waardeert ze niet bijzonder. Dat is de oppervlakkige reden. Het lijkt er namelijk vooral op dat Erik Kriek een beetje spijt heeft dat hij de twee ooit aan elkaar heeft gekoppeld. Gewapend met zijn eigen variant op Supermans kryptonite gaat hij de strijd met zijn heldhaftige, getekende alter ego aan, nadat de twee elkaar al op de raarste plaatsen naar het leven hebben gestaan. Tot verdriet van Tigra, die haar mannetje na de ruzie toch eigenlijk wel graag weer terugwil. Natuurlijk kent dit verhaal, zoals het hoort in de comic, een happy end.
De comicsfiguren wordt op een aangename, levendige manier leven ingeblazen door choreograaf/danser Job Cornelissen en medechoreograaf/danseres Francisca Rijken onder regie van Dick Hauser. De hele voorstelling speelt zich af tegen een eenvoudige maar effectieve getekende achtergrond die wisselt zoals in een tekenfilm; het extra effect van de profielwerking van het bijzondere filmdoek is optimaal gebruikt en werkt prachtig. De terugkerende bluegrassmuziek en bijbehorende grappige dansjes geven het geheel een extra komische noot.
Heel benieuwd of er net zoals in stripboekland nog een, twee, eindeloos veel delen zullen volgen. Een sequel is op basis van het eerste deel zeker gerechtvaardigd.
Door Moon Saris
Juryrapport winnaars John Kraaykamp Muscal Award:
Vernieuwend, muzikaal geweldig, sprankelend, actueel en vitaal. Dat geldt voor De Jantjes waarvan Dick Hauser iets van nu heeft gemaakt. Het is alsof hij authentiek volksdrama anno 1920 heeft afgestoft. Iets dat uit een andere tijd stamt is als een stuk sociale historie naar het heden vertaald, zodat het er uitziet en overkomt als een moderne, heftig aansprekende musical die ook voor jongeren betekenis heeft.
In beide gevallen, bij Eenens en Hauser, is sprake van groot vakmanschap dat garant staat voor een intense beleving van het fenomeen musical op topniveau.
Nieuwe 'Jantjes' is een sprankelende voorstelling
Regisseur Dick Hauser tornt niet aan de basis. Waarom ook, de magie van 'De Jantjes' werkt nog steeds. Volkshumor, lekker veel en inventief schelden, sentimentele liedjes zonder een grammetje kitsch. Uitstekend materiaal, met een degelijk, realistisch decor en een nieuwe en verrassende cast. Naast oudgediende Carry Tefsen staan musicalnieuwelingen als Dennis Overeem en Birgit Schuurmans. Het duo blijkt een schot in de roos. Overeem is een heel leuke Schele Manus, die met zijn slome intonatie simpele wijsheden heel grappig kan brengen. Birgit Schuurman is geweldig als innemende Toffe Jans, met een lekkere zangstem en sprankelend spel. Alleen het plat Amsterdams gaat wat moeizaam. Dat geldt trouwens voor meer spelers. Ook dat schreeuwen is niet echt nodig.
Een van de belangrijkste kwaliteitsexamens van de voorstelling is 'Omdat ik zoveel van je hou', het muzikale toneelstukje dat vooral bekend is van Heintje Davids en Sylvain Poons. Ook hier een vlag en een wimpel voor Bob Fosko en Sylvia Alberts. Deze nieuwe ronde van 'De Jantjes' levert een onbekommerde en zalige avond op.
Door Patrick van den Hanenberg, de Volkskrant, 21 december 2004
Authentieke Jantjes spelen op stormkracht
Zeven jaar geleden bracht het theaterbedrijf van Joop van den Ende het aloude toneelstuk met zang en dans ook al uit, toen in een bewerking van Ivo de Wijs, geregisseerd door Eddy Habbema. Het resultaat was een hybride voorstelling, die ergens halverwege tussen een psychologisch drama en smeuïg volkstoneel bleef hangen. Habbema maakte geen keuze. Dick Hauser, die een nieuwe bewerking van Allard Blom regisseert, heeft wel gekozen. Aan alles is te zien dat hij de authentieke eenvoud wilde terugbrengen, en ook alle ruimte wilde geven aan de schrille misstanden die Bouber schilderde. Een lach en een traan, dat moest het worden. Het oorspronkelijke script, dat inmiddels nogal gammel was geworden, is wat strakker getrokken, terwijl aan de legendarische liedjes van Louis Davids en Margie Morris nieuwe nummers zijn toegevoegd. Niet alleen de twee extra hits uit de verfilming van 1934 ('Draaien' en 'Omdat ik zoveel van je hou'), maar ook veel latere successen van Lou Bandy ('Als ik in mijn klamboe lig te dromen'), Wim Sonneveld ('Poen') en Johnny Jordaan ('Jordaanwals'). Op het eerste gezicht nogal onnodig, maar een echte stijlbreuk kan ik die wonderlijke toevoegingen niet vinden - ze zijn redelijk passend gemaakt. En ook een nieuw liedje van Thé Lau over vriendschap heeft genoeg charme om probleemloos in de handeling te worden opgenomen.
Storender is de nadrukkelijke manier waarop Hauser de melodramatische kanten van 'De Jantjes' laat zien. In veel scènes wordt op stormkracht geacteerd, om maar niets van de emoties verloren te laten gaan. Dat leidt enerzijds tot een vurige vechtpartij, die niets aan geloofwaardigheid te wensen overlaat, maar ook tot te veel overdadig geheven armen, geschreeuw en getier. Bovendien zet één van de Jantjes (Dennis Overeem) continu een zeurderig stemmetje op, dat veel hilariteit oogstte, maar de rol tot een raar typetje maakt. Beter vind ik Hugo Metsers III en István Hitzelberger als zijn twee kompanen - echte jongens met een braniekraag, die door de meiden zo graag gezien worden. En van die meiden valt vooral Birgit Schuurman op, die haar baaien rok met flair draagt en zich gretig vastbijt in haar liedjes. In een kleinere rol dan voorheen doet ook Carry Tefsen mee. Sylvia Albers doet als Na Druppel trouwens niet voor haar onder. Naast haar houdt Bob Fosko zich behoorlijk staande als De Mop. Begeleid door een vijfmansorkestje komt deze nieuwe versie van 'De Jantjes' dichterbij het origineel dan de vorige. En dat maakt veel goed.
Door Henk van Gelder, NRC Handelsblad, 20 december 2004
Kostbare liedjesschat als cultuurgoed
Oog in oog met het felle realisme van een adembenemend gevecht en knap gedoseerd, broeierig sentiment heeft Dick Hauser met zijn team versie nummer zoveel van 'De Jantjes' neergezet met een klaterend ensemble in een fraai decor. Nieuw, maar met waardering voor een brok Hollands cultuurgoed. Beken het maar, wat hebben we een prachtige, kostbare liedjesschat. Die deunen doen het nog steeds goed: de premièrezaal ging juichend door de knieën. Hetgeen ook te maken heeft met de visie ze er in straf tempo door te jagen. Bovendien, vrijwel zonder uitzondering wordt er eindelijk weer eens goed gezongen en aanvaardbaar geacteerd tegen de achtergrond van een lekker orkestje. 'De Jantjes' verzamelt een mix van vrolijkheid en droefenis. Sylvia Alberts en Carry Tefsen weten zich gesteund door een verrassende stoet jonge mensen uit verschillende disciplines. Met als uitblinkers Wieneke Remmers, Birgit Schuurman en Hugo Metsers, István Hitzelberger en Dennis Overeem als de Jantjes. Mis het niet!
Door Jacques d'Ancona, Dagblad van het Noorden, 21 december
De belangstelling voor de nationale en internationale geschiedenis ondergaat vandaag de dag een soort gewetensrevival. Niet alleen in populaire televisieprogramma’s, maar ook in de literatuur (Geert Mak), de journalistiek én in het theater. De voorstelling Raspoetin (met klemtoon op de middenklinkers) door theatergroep La Kei Producties is daarvan een sprekend voorbeeld.
Nu is de figuur van Raspoetin (bijnaam van Grigori Jefimovitsj Novitsj 1871-1916) dramatisch ook wel een heel interessant personage. Hij was vooral een imponerende Russische ‘monnik’ die over een heilzame genezingskracht beschikte. Die historische betekenis ligt ’m vooral in het feit dat hij de kroonopvolger van de Russische tsaar Nicolaas II genas van diens hemofilie, althans hij kon het ziekteproces stabiliseren.
Naast deze mystieke Jomanda-achtige gaven, kreeg hij vooral door de vrouw van de tsaar, Alexandra Fjodorovna Romanova, grote invloed op de politiek van Rusland met alle gevolgen van dien. En dan hebben we het nog niet eens over zijn seksuele escapades met al het vrouwelijke schoon die roemruchtig waren.
La Kei Producties toont ons een prachtige voorstelling waarin de geschiedenis van deze man in een notendop wordt gepresenteerd. Leuk, snel, humoristisch en in een Russisch getinte sfeer die ze heel goed weten neer te zetten in relatief korte tijd. De vijf mannen komen op in dat typisch Russische volle koorgezang en weten de toeschouwer vanaf dat eerste moment te boeien. Geen moment verlies je het spel, noch de inhoud uit het hoog. De gepaste afwisseling van zang, spel en de anekdotiek is hiervoor verantwoordelijk.
Maar die afwisseling is wel té gepast, heel erg gedoceerd en geregisseerd waardoor het geheel voorspelbaar wordt en dus vlak. De voorstelling begint met de moord op Raspoetin, drijvend onder het ijs met de commentariërende bespiegeling: ,,Daar drijft God’’. Dan voel je al enigszins aankomen dat er een retrospectief op komst is. Een historische verantwoord retrospectief weliswaar waarin ze chronologisch de heroïsche en toch ook mystieke geschiedenis van Raspoetin vertellen. Fantastische (ver)beeldend, dat wel. Met grote passie en genegenheid voor het spel en het verhaal.
Welke achterliggende betekenis La Kei Producties wil geven aan de voorstelling Raspoetin is niet geheel duidelijk. Zeker niet als je de actualiteit daarbij in ogenschouw neemt. Als de mannen aan het begin tijdens de beraming van de moord op Raspoetin schreeuwen: ,,Wij gaan ons vaderland verlossen van een man die een kwelling is voor iedereen’’, dan ontkom je niet aan bepaalde uitspraken die nu opgeld doen.
Maar of La Kei Producties zo’n actualiteitsintentie ook met deze productie heeft is nog maar de vraag. Daarvoor is het stuk eigenlijk ook wat te compact, en de romantische aandacht voor de Internationale - wat een prachtig lied is dat toch! - en de Revolutie met rode vaandels en geweld te pregnant aanwezig.
Aan het eind komen de verschillende persoonlijkheden van Raspoetin bijeen. Die pay-off geeft La Kei Producties de voorstelling dan nog wel mee: de catwalk van Raspoetin als spiegel van eigen persoonlijkheden.
Door La Kei producties
Plaats: De Harmonie, Leeuwarden
Het verhaal is simpel. De voorstelling speelt zich af in Club Tangorilla, een nachtclub. 5 individuen op zoek naar geluk, elkaar en zichzelf. Met weinig woorden maken de spelers van Lieber Gorilla alles meer dan duidelijk, waarbij er toch plaats blijft voor eigen interpretatie van het stuk.
Goed punt aan de voorstelling is het toneelbeeld. Flessen, sigaretten, een pisbak, de bar, en de belichting, geen 5 sterrenhotel, en ook geen eliteclub, maar een levensechte louche tent.
De vijf personages zijn allen heel verschillend. Ze hebben echter duidelijk een ding gemeen: ze zijn doodongelukkig. Claudia Hauri overtuigd in haar rol als een vrouw die slecht ter been en verlaten, maar wel degelijk dominant is. Momenten van kwetsbaarheid en kracht wisselen elkaar op precies de goede momenten af, ondanks haar gebreken heeft de rest ontzag voor haar. Claudia zet haar personage neer vol allure en stijl. Een stuk minder krachtig maar prachtig breekbaar is de personage van Dagmar Chittka. Zij stort zich wanhopig in de armen van de aanwezige mannen, maar zonder het ware geluk te vinden. Vooral in de fysieke scènes is zij sterk door middel van de soepele, maar toch beheerste bewegingen. Dan de mannen, wederom 3 verschillende karakters, om maar te beginnen met de personage van Reinier Schimmel, die gelijk aan het begin van het stuk de aandacht trekt door zijn tango-duet met... een stoel. Prachtige bewegingen en mooie gezichtsuitdrukkingen. Van zijn gezicht zijn hele verhalen te lezen, die je als bezoeker uiteraard zelf moet vormen, want Lieber Gorilla is "nadenktheater"! Vooral tijdens de Entr'acte, een gedeelte van de voorstelling waarbij er van kleding wordt gewisseld straalt hij slechts in een slip - met bloem - en een haarklem in zijn haar een soort engelachtige man uit, op zoek, maar zonder iets te vinden. Dan is er zijn louche pooierachtige tegenpool in Andreas Scharfenberg, die de dames met heel iets anders probeert te imponeren dan met zijn liefdesdans of zorgzaamheid. Het onvervalste macho imago wordt nog eens extra benadrukt door zijn kleding en houding. Als laatste, maar zeker niet als minste is er dan Luc van Esch, die als gladde jongen begint, maar eindigt als een weerbare aangetaste man. Aan het eind van de voorstelling, als door een door Chittka gezongen lied klinkt, is het behalve aan het publiek dan ook eindelijk duidelijk aan de karakters op het podium: ze zijn verloren, alleen, en zullen het geluk waarschijnlijk niet meer vinden. Ze zijn helemaal op zichzelf aangewezen. Op dat moment kleedt van Esch zich uit en blijft naakt tot het einde van de voorstelling. Hij eindigt als een verlangende Jezusfiguur met een zekere trots over zich, alsof hij zijn ellende niet wil toegeven. Herkenbaarheid van onze eigen ellende alom. Maar vooral van de verdringing van onze ellende. Een gedeelte van het stuk bevat zelfs een ware 'underground party' inclusief pillen, drank en een uitgespeelde roes. De scène over het algemeen duurt iets te lang, maar het idee erachter is mooi. Wellicht dat hij in een kortere versie meer indruk zal maken. Maar vooral het sombere gedeelte erna is prachtig, waarin zowel Schimmel maar vooral van Esch tonen dat ze wel degelijk gevoel in hun donder hebben door middel van een voor hen zo te zien zwaar vallend gesprek, namelijk over een verdwenen liefde. Weer ruimte voor interpretaties en emoties. En als je uit de voorstelling komt, komt opeens naar voren wat de kracht van Tangorilla is. Want je voelt je niet wanhopig, je bent niet verdrietig om wat je hebt gezien. Je hebt namelijk ook gelachen tijdens de voorstelling. Het moet allemaal nog even bezinken en op de terugweg ga je erover nadenken. En dat is nou precies wat een goede voorstelling moet doen. Kortom: Tangorilla is op een paar kleine schoonheidsfoutjes na prachtig om naar te kijken, zoals het echte leven: leuk en pijnlijk tegelijk.
Adriaan Luteijn en Peggy Olislaegers hebben in "Rillandia" weinig woorden nodig voor hun verhaal. Spreken doen ze vrijwel alleen in hun rol van instructeur – in Zeeuws en Brabants dialect. Lichaamstaal en beweging vertellen de rest. Verliefd zijn op elkaar, zowel de jonge Adriaan en Peggy als hun volwassen tegenspelers. Zelden een mooier liefdesduet gezien als dat tussen de kleine Nol en de lange, broodmagere juffrouw Ankie die zich bijkans halveert om haar hoofd met een dwaze glimlach tegen de schouder van haar partner te kunnen vlijen. Even fraai verbeeldt het parcours dat de jongelui tijdens het muziekconcours afleggen de omtrekkende bewegingen waarmee zij schuchter toenadering zoeken.
Een schalkse oogopslag, een goed getimede grijns en welgekozen glitterschoenen: het zijn de vele details die deze jeugdtheatervoorstelling tot een feest maken. De symmetrie in het verhaal wordt bovendien mooi gespiegeld in het kleurrijke, decor van Keso Dekker, die tevens zorgde voor de fantasievolle uitdossing van de vier personages.
Door Willemijn in 't Veld
Hoewel De Horde een overblijfsel van de theatervernieuwende groep Hauser Orkater, duidelijk als collectief optreedt mag Jim van der Woude toch wel als centrale speler worden gezien. Vrijdag was dat in De Kolk in Assen goed te zien.
De grootste inbreng in de groep heeft Van der Woude. Hij maakt de schitterende en zeer inventieve decors, hij speelt en hij is de onbetwiste meester in de mime. Hij is één van de allergrootsten als het gaat om de taal van het lichaam.
De Horde speelde het nieuwe stuk De Wangedachte, een stuk dat, zoals verwacht, aan alle kanten het traditionele toneel vermorzeld. Tijd, ruimte, beeld en idee worden door De Horde zo anders vorm gegeven dat je bijna verwacht dat de groep tot een echte stroming behoort. Heel duidelijk laat de groep zien waarmee ze bezig is als twee mannen een vechtpartij beginnen in een perspectivisch gebouwd kamertje. Dat kamertje komt regelrecht uit de jaren vijftig, de oubolligheid en de allesoverheersende saaiheid druipen langs de wanden. De kleine ruimte is niet dieper dan drie meter en is gebouwd zoals men volgens de wetten van het perspectief betekent: wanden, de vloer en het plafond lopen schuin naar elkaar toe. De vechtpartij, vertraagd gespeeld, krijgt dan iets vervreemdends. Twee volwassen mannen in een veel te klein, schuin kamertje slaan elkaar uiterst traag op het gezicht. Alles wat de wetten van het theater ooit voorschreven wordt ongebruikt gelaten. Het beeld is vervormd, het idee houdt zijn kracht.
Jim van der Woude in de vechtscène is natuurlijk zeer sterk. Zijn speciale mimiek, zijn ongewone lichaamsbeheersing garanderen een beeld dat niet na te spelen is. Eigenlijk zou dit soort toneel in Nederland, als we meer acteurs van het kaliber van Jim van der Woude hadden, meer te zien moeten zijn. En eigenlijk zou absurdistisch, humoristisch en tegelijk serieus toneel als van De Horde ook meer te zien moeten zijn. Dat soort vernieuwend werk levert verrassende perspectieven op een rijke toekomst op.
Drentse en Asser Courant, 6 april 1981
Hauser Orkater is weer grandioos, nee – eigenlijk beter dan ooit. De groepsleden rond de beide broers Hauser, die sinds een jaar of vijf geraffineerde orkatershows opbouwen uit de bestanddelen orkest en theater, zijn terug in Shaffy.
Het nieuwe programma “Zie de mannen vallen” draait al twee weken, maar werd gisteren rijp geacht voor confrontatie met de pers en daarbij bleek opnieuw hoe jammer het is dat deze unieke vorm van theatermaken in gewoon nuchter Nederlands moet worden geschreven.
Eigenlijk zou je een nieuwe taal, opgebouwd uit absurde klanken en enthousiaste kreten, moeten uitvinden om toepasselijk te kunnen praten over de bizarre indrukken die je overhoudt aan deze vijfde productie van Hauser Orkater (na “Op avontuur”, “Famous Artists”, “ ’t Vermoeden”, en “Entree Brussels”).
“Zie de mannen vallen” is volgens hetzelfde stramien opgezet als “ ’t Vermoeden”. Acteur Peer Mascini speelt met één kornuit uit het orkest een serie wonderlijke scènes die een ingrijpbaar verband in de anderhalf durende show suggereren.
Maar daaromheen groeperen zich de andere ingrediënten: min of meer losse, acrobatisch-mimische theaternummers, waarin vooral Jim van der Woude opvalt, de muzikale nummers van de orkestleden, en fantastische clownerieën met onzinnige rekwisieten als een reuze kinderstep, een uit elkaar vallende saxofoon, en onbeschrijfbare rollende, rijdende en bewegende zetstukken.
Dit alles speelt zich af binnen een visueel heel geslaagde vaste decorbouw die lijkt op een stierenvechterarena en een circuspiste, vol schuine loopvlakken, verborgen valkuilen en ingebouwde trucs.
Het geheel heeft nu de allure van professionele aanpak en het onhandige-studentikoze is vrijwel verdwenen. De presentatie is gepolijster, zonder dat dit enige gladde routine inhoudt: daarvoor is de opvoering te vol van creatieve ideeën en volmaakt originele vondsten.
Vooral wat Jim van der Woude doet in zijn strijd met een lang stuk elastiek, of met zijn voeten door absurde loopplanken, of ingewikkeld in meterslange metalen springveren, of balancerend met, in, onder en aan twee houten raamwerken is zo fantastisch dat hij daarmee alleen al jarenlang de wereld zou kunnen afreizen: een reeks unieke prestaties in showbusiness.
Als geheel biedt “Zie de mannen vallen” een wonderlijke versmelting van slapsticks en poëzie die de zeldzame indruk nalaat dat je in een andere wereld gekeken hebt, waar alles mogelijk lijkt en waar waanzin en diepzinnigheid samenvallen.
Door H. van den Bergh, Het Parool, 23 mei 1979
1977
HAUSER ORKATER 'HET VERMOEDEN'
Peer Mascini, een prima acteur met een welluide stem die sinds kort deel uitmaakt van theatergroep Hauser Orkater, zoals bekend een samenbundeling van orkest en theater, mag de nieuwe productie van een inleidend woord voorzien. Hij noemt ’t Vermoeden een mengeling van vloed en overvloed, zacht en bros van aard. Een programma dat niet over de onderdrukte arbeider gaat – onderwerp van veel groepen die muziek en theater samenvoegen – omdat er ook nog wel andere onderwerpen te bedenken zijn.
Hij legt uit dat de titel op de moede aanwezigheid van een vrouw duidt – en er is dan ook regelmatig een man een vrouw toebehorend lijkend been in beeld – en rondt zijn praatje niet af, daarmee direct het kader aangevend waarbinnen de voorstelling zich verder zal afspelen. In de hecht doortimerende anderhalf uur durende voorstelling krijgen de nummers zelden een pakkend slot of een afronding maar wordt het ene nummer gewoon weggespeeld door het volgende, waardoor verwachtingspatronen van het publiek stevig doorbroken worden en het geheel een absurdistisch karakter krijgt. Absurdisme is trouwens sterk aanwezig in ’t Vermoeden, niet alleen in de malle dialoog direct na de start van het programma naar ook in het bijna bloot voorgedragen gedicht of in die waanzinnige groepsdans, die een persiflage op bloemenwalsen moet zijn.
Persiflage is overigens een andere steunpilaar van deze productie. Het feit dat de declamator hier nauwelijks iets aan heeft is persiflage op de fraai uitgedoste voordrachtskunstenaars en de hoogst vermakelijke striptease kan zonder meer opgevat worden als satirisch antwoord op de activiteiten van Hannah de Leeuwe bij pianist Polo de Haas.
Die striptease van een travestiet – in dit geval Jim van der Woude – is er een van klasse en ongetwijfeld een hoogtepunt uit de voorstelling die ik zag. Van der Woude was die avond waarop een momentopname gegeven werd van een programma dat al min of meer een vaste vorm heeft gekregen, uitstekend op dreef. Zijn solodans die alle malle bewegingen van danseressen in TopPop bevat en dat soort dansen voor altijd belachelijk maakt moet hoog geprezen worden. Dwaasheid en absurdisme gaan hier hand in hand en zulke momenten maken het programma, dat wat wisselend van niveau is, toch wel tot een belevenis. De groep heeft duidelijk aan kwaliteit gewonnen in vergelijking met de vorige productie en lijkt met het abstracte theater dat het nu biedt beter uit de voeten te kunnen dan met het invullen van vaste thema’s, zoals dat bij Famous Artists gebeurde.
Zwak blijven sommige teksten, voornamelijk inde twee liedjes die over het strand gaan en waarbij in het eerste een vader wordt ingegraven, later overreden en tenslotte overspeeld door de vloed, terwijl in het andere een vader met kind de golven inloopt, later gevolgd door een wanhopige moeder van het kind en de schoonouders van de man. Zanger Chris Bolczek kan in deze liedjes ook niet op tegen het door de goed spelende band ontwikkelde muzikale geweld.
Het programma krijgt letterlijk een daverend slot als de hele groep met trommels een knap stuk slagwerken weggeeft, hoewel dit nummer naar mijn idee een kracht kan winnen als het korter wordt. Misschien is het dat op andere avonden wel want, zoals gezegd, de voorstellingen hebben een sterk wisselend karakter en groeien samen met het publiek, dat op deze avond in ieder geval zeer enthousiast was.
Door Ruud Gortzak, De Volkskrant, 5 mei 1977
1977
INTERVIEW MET DICK HAUSER
Afgelopen maand is Hauser Orkater met haar nieuwe productie Het Vermoeden van start gegaan. Anders dan in de vorige producties is er geen vast thema, maar is het een meer abstract geheel, dat het vooral van de sfeer moet hebben. Teksten, muziek, decor en toneelbeeld en regie hebben wederom door een democratisch samenspel binnen de groep vorm gekregen. Opvallend voor een groep als Hauser Orkater is, dat het een heel hechte groep is. Als 15 mensen gedurende vier jaar bijna dagelijks met elkaar omgaan, daarbinnen drie theaterproducties van de grond krijgen met een minimum aan financiële middelen en nog steeds niet van plan zijn uit elkaar te gaan, dan moet er iets bijzonders aan de hand zijn. Ineke Austen had hierover met Dick Hauser, bassist van de groep, het volgende gesprek:
Ineke: Wat is er voor bijzonders met jullie aan de hand?
Dick: Eigenlijk niks; het komt meer door een natuurlijk groei van verregaande democratie binnen de groep. Niemand van ons was kennelijk dominerend genoeg om zich als leider op te werpen en dat blijkt ook helemaal niet nodig te zijn. Alle besluiten die we nemen hebben onze gezamenlijk instemming, soms duurt dat erg lang, maar meestal komen we er vrij snel uit.
Ineke: Toen jullie een beetje "in the picture" begonnen te komen, werd jullie aangeraden er een regisseur bij te betrekken. Waarom hebben jullie dat niet gedaan?
Dick: We hebben er wel aan gedacht. Peter Oosthoek van Centrum bijvoorbeeld, was heel enthousiast nadat hij een voorstelling van ons gezien had. Hij wilde wel met ons werken. Maar na de voorstelling voor de derde keer gezien te hebben, zag hij er toch vanaf. Hij zag drie verschillende voorstellingen en begreep dat dat juist de kracht was, door zijn inbreng in de regie zou dat zeker verdwijnen – het flexibele van een voorstelling, wat voor ons het allerbelangrijkste is. Verder zouden we niemand weten die ons zou kunnen regisseren, niet omdat we eigenwijs zijn of naast onze schoenen lopen, maar omdat het niet past bij onze manier van werken.
Ineke: De confrontatie met het publiek. De kritieken van "Famous Artists" waren matig. Toch was het publiek laaiend enthousiast. Vooral de laatste serie voorstellingen was van een niveau zoals ik zelden gezien heb. Hebben de critici nou gelijk of het publiek en ik.
Dick: Jullie hebben allebei gelijk. De critici hebben een beetje gelijk omdat we, toen we met "Famous Artists" in première gingen, nog niet de losheid hadden, die in latere voorstellingen wel aanwezig was. Maar critici zijn zo absoluut, ze zijn niet op onze manier van werken ingesteld en hebben het vermogen niet (en willen dat ook meestal niet) een slag om de arm houden. Ze zouden zich meer open moeten opstellen zoals het publiek dat doet. Eigenlijk zouden we onze premières aan het eind van een serie moeten houden, maar tot nog toe was dat vrij moeilijk, omdat je dan te weinig publiciteit had om een volle zaal te trekken. Toch gaan we het nu op deze manier proberen. We hopen dat onze naam nu bekend genoeg is om voldoende publiek te trekken en dat ze samen met ons de voorstellingen naar een hoogtepunt brengen. Het gekke is dat er erg veel mensen zijn die twee keer naar onze voorstelling en komen, aan het begin en aan het eind van de serie. Die mensen zijn dan ontzettend enthousiast over de verschillen die ze hebben kunnen constateren. Misschien ook iets voor de critici?
Ineke: Er is in de laatste voorstellingen van "Famous Artists" en definitief in "Het Vermoeden" een nieuw gezicht bijgekomen: Peer Mascini, die twee seizoenen bij een bij jullie vergeleken gevestigd gezelschap heeft gezeten. Hoe gaat dat?
Dick: Peer heeft wel bij Baal gezeten,m maar daarvoor had hij samen met Ralph Wingens de tweemans
theatergroep Dzjats. Daarin deden zij dingen die qua visie op theater zo overeen kwamen met wat wij doen, dat het
bijna vanzelfsprekend was dat hij er bij kwam. Bovendien is zijn inbreng in de regie door zijn ervaringen bij Dzjats
en in zekere zin ook bij Baal van groot belang.
Ineke: Hoe staan jullie er financieel voor?
Dick: Nou, matig, maar beter dan in de afgelopen jaren. We krijgen nu in ieder geval een bedrag van C.R.M. en misschien oko van de Gemeente Amsterdam. Als dat het geval is zijn we voor 50% gesubsidieerd, de andere 50% moeten we zelf bij elkaar zien te brengen.
Ineke: Hebben jullie nog meer plannen behalve deze theaterproductie? Dick: Jazeker! Frans Weisz gaat een film met ons maken, die aan het eind van de zomer of begin herfst opgenomen gaat worden. De film is min of meer gebaseerd op "Famous Artists". We hebben zelfs een startsubsidie gekregen voor het script. Dat willen we wel door een professioneel iemand laten doen. Verder zijn er platenplannen. De muziek van "Het Vermoeden" zal op de plaat worden vastgelegd, evenals de filmmuziek. Tot slot hopen we in januari/februari 1978 te starten met een theaterproject, "Kooler" genaamd. Gerard Atema, de pianist uit het programma "Op Avontuur" is bezig de muziek te schrijven. Behalve wijzelf zullen de musici Ernst Spits en Rob Boonzaayer weer van de partij zijn en misschien wordt er nog een extra acteur aangetrokken. Dus je ziet, we hebben nog genoeg te doen.
De wonderlijke geboorte en het abrupte einde van Hauser Orkater zijn de boeksteunen van een periode in het Nederlandse theater waarvan de galm tot op heden doorklinkt. Hauser Orkater bracht tussen 1972 en 1980 een vorm van muziektheater die het toenmalige publiek direct aansprak. De expressieve en absurdistische mix van theater, mime en popmuziek was destijds volkomen nieuw en maakte snel school in Nederland.
Hauser Orkater ontstond uit de samenwerking van een Amsterdamse popgroep en een stel IJmuidense theatermakers. Men kende elkaar van de Grafische School en de Rietveldacademie in Amsterdam. Rob en Dick Hauser, Eddie B. Wahr, Thijs van der Poll, Chris Bolzcek en Gerard Atema repeteerden al lange tijd met hun band. Alex, Marc en Vincent van Warmerdam maakten deel uit van een actieve club theatermakers in het Witte Tejater in IJmuiden. Bij hen voegde zich nog Jim van der Woude. Het was een spontane vereniging van uiteenlopende talenten, die een hecht en hoogst creatief collectief zouden vormen.
De eerste optredens in 1972 onder de naam Hauser Kamerorkest op middelbare scholen in Haarlem en omstreken waren vormeloze combinaties van nogal ambitieuze popmuziek en clowneske sketches. Het was de basis voor het eerste theaterprogramma Op Avontuur, dat vanaf 1972 gespeeld werd. Toen de groep, inmiddels onder de naam Hauser Orkater (orkest/theater), het Amsterdamse Shaffy Theater ging bespelen, ging het snel met de populariteit. Hauser Orkater maakte achtereenvolgens de programma’s Famous Artists (1976), Het Vermoeden (1977), Entree Brussels (1978) en Zie de Mannen Vallen (1979). De voorstellingen werden honderden keren gespeeld, ook in het buitenland. Vooral in Parijs maakte Hauser Orkater furore. De krant Le Monde noemde de groep ‘elf Buster Keatons op bezoek bij Beckett’.
Al tijdens de tournee van Het Vermoeden in 1978 werd besloten dat de volgende grote voorstelling van het collectief de laatste zou zijn. In Frankrijk werd op de valreep Zie de Mannen Vallen uitgeroepen tot de beste buitenlandse voorstelling van het seizoen.
De fans bleven achter met mooie herinneringen. En met de drie elpees: Op Avontuur uit 1974, Hauser Orkater uit 1978 en Zie de Mannen Vallen uit 1979. De platen werden gekoesterd, want ze riepen de voorstellingen in herinnering. Maar ook als albums waren ze sterk. In die tijd was Nederlandstalige popmuziek nog zeldzaam. De songteksten (de meeste van Alex van Warmerdam) haakten zich vast in het geheugen. Menig fan van het eerste uur zal nu na 25 jaar de liedjes nog moeiteloos meezingen. Het vinyl verdween en daarmee de elpees van Hauser Orkater. Maar de originele opnamen bleven in de kluis van EMI/Bovema wachten op een heruitgave op cd. Dat is gebeurd. De dubbel cd bevat de albums Hauser Orkater en Zie de Mannen Vallen.
In 1980 hield het collectief Hauser Orkater op te bestaan en gingen de verschillende leden in wisselende en nieuwe samenstellingen voorstellingen maken onder de naam De Horde, De Mexicaanse Hond en Orkater.