Flip Noorman verpakt maatschappijkritiek in verfijnde Nederlandstalige liedjes ★★★★☆
Er is een grote rol weggelegd voor violist Vera van der Bie, die ook meezingt. De afgelopen jaren trok de 34-jarige Flip Noorman met succes langs de theaters met zijn eigenzinnige hommage aan de muziek van Leonard Cohen. In 2023 volgt een tournee rond het werk van Tom Waits, de andere zanger waarmee Noorman vanwege zijn donkere zangstem weleens wordt vergeleken.
Maar eerst is er Love It, een voorstelling (en album) met eigen werk van Noorman, die ook uitstekend eigen liedjes kan schrijven. Ze weten wie je bent is zo’n nieuw nummer dat je typisch Noorman kunt noemen: een scherpe tekst en verfijnde muziek van zijn band De Noormannen, waarin drums en gitaren samengaan met viool en piano. Onheilspellend zingt hij over een man die continu in de gaten wordt gehouden: "Ze staan voor je deur/Dag meneer Noorman, hoe gaat het vanochtend met u?"
In Love It kondigt Noorman als een duivelse verkoper aan om het meest commerciële thema uit de kunsten, de liefde, uit te gaan buiten. Zijn liedjes vormen een kritiek op het kapitalisme, een systeem dat is ontworpen voor mensen die voldoen aan de normen en geen oog heeft voor de afvallers. Falen kan nooit eens gewoon falen zijn, maar moet als een kans worden gezien om nóg harder te werken, nóg verder te groeien.
In nummers als Brood en spelen en Onzichtbare hand komen de maatschappelijk geëngageerde teksten goed tot hun recht. Er is een grote rol weggelegd voor violist Vera van der Bie, die ook meezingt. Naast groots en theatraal beheersen Flip en zijn Noormannen ook de intimiteit, zo blijkt in het mooie Op de bodem van de nacht. Een commerciële zet misschien, zo’n romantisch liedje in warm rood licht, maar het werkt wel.
De Volkskrant, Joris Henquet 19 juni 2022
Recensie in Oor
Terug in de theaters, terug met een splinternieuw album. Love It is een in onvervalst Nederlands à la Flip Noorman gezongen, onversneden hommage aan het onvolmaakte. Met steeds virtuozer spelende Noormannen, maar met ditmaal ook een grote rol voor Vera van der Bie, een van het Metropole Orkest bekende violiste, die twee songs mee componeerde.
Op dit vierde soloalbum (als we zijn ode aan Leonard Cohen niet meerekenen) horen we opnieuw die meesterlijke tekstdichter/troubadour met dat rafelrandje die er achter dit theaterdier schuilgaat. Toch brengt het thema ‘liefde’ blijkbaar ook iets vertederends teweeg in de nu nét iets minder als geïnfecteerde schreeuwpoëet opererende Noorman. Tot een ex aan zijn voordeur vraagt: ‘Zeg Flip, denk je nog altijd zo vaak aan de dood?’ Een spuit brengt hem tot rust. Een neoklassiek intermezzo (gecomponeerd door Thierry Castel) de luisteraar ook. Love It gaat muzikaal breed, bestrijkt een palet van rock tot folk, van oosterse balkanklanken tot stille ballades. Love It klinkt dynamisch, vaak bijzonder poëtisch, niet zelden met een onderliggende sensuele bodem, bad trip of nachtelijk avontuur. Maar Love It bevat echter ook een op zich terechte, bijna hilarische waarschuwing in een bluestrack waarin de duivel voor het hoofdgerecht de tafel dekt: ‘Je moet niet schijten waar je eet.’
Oor, door: Willem Jongeneelen, 21 juni 2022
Recensie in Theaterkrant.nl
MYSTERIEUZE LIEFDESLIEDJES VOOR DE IMPERFECTE MENS
‘Stop! Met zei-ken!’ dondert de lage, krakende stem van Flip Noorman door Theater de Liefde. Als je als mens wil blijven groeien, zijn sporen van zwakte niet toegestaan, zingt hij. In zijn kleinkunstprogramma Love It toont Noorman zich verbitterd over de constante druk op mensen om het onderste uit de kan te halen. Zeker omdat er steeds meer mensen zijn die daarvoor de rekening betalen.
Love It laat zich haast beleven als een rockopera, en is vrijwel volledig gezongen. Flip Noorman krijgt ondersteuning van zijn Noormannen – een band bestaande uit piano, elektrische (bas)gitaren, viool en drums, met een brede muzikale reikwijdte. De ene keer zwepen ze ons met circusinvloeden, de andere keer nodigen ze uit tot wegdromen. Ondertussen blijft de muzikale reis een lijn volgen en sluit elk lied aan op het vorige.
Noorman situeert ons op het commerciële cruiseschip genaamd ‘Love It’: een soort dystopisch luilekkerland voor volwassenen. Iedereen laaft zich aan de gelukkig-makende Love It-pil, er wordt dwangmatig, maar volop geleefd. Een spreekstalmeester zorgt voor ‘brood en spelen’ en negeert het nieuws dat er mensen van het schip vallen en dat de motoren in de fik staan – stoppen, afremmen: het is allemaal geen optie.
Elk lied ondergaat Noorman een subtiele transformatie, neemt een andere rol op het schip aan. De ene keer Billie de Baas, de andere keer een op staande voet ontslagen werknemer. De ene rol is verlekkerd, de andere bitter of verontwaardigd. Allen hebben zich te verhouden tot consumptiedrift en marktwerking. Noorman verpakt de situatie als een pact met de duivel, van een religie met een ‘onzichtbare hand’ als opperwezen.
Wie alles wil begrijpen heeft het zwaar, want elk lied zit bomvol metaforen. Gelukkig krijgen die meestal binnen dat lied een concrete uitleg. Iemand heeft bijvoorbeeld ‘de vrucht van de chemie’ nodig. Even later krijgt hij de ‘pil’ aangereikt door zijn kind: de algehele betekenis van een lied komt sowieso over. Buiten de allesverterende hebzucht van het schip is er op deze manier ruimte voor mysterieuze liefdesliedjes aan de imperfecte en geesteszieke mens, waarin de maan steevast een belangrijke rol speelt.
Mooie uitzondering op de metaforische cruiseschiprealiteit is een vrij concreet lied vanuit Noorman zelf. Hoe hij achterdochtig naar de wereld kijkt vanuit zijn huis, de mevrouw aan de deur niet vertrouwt, omdat haar ogen lijken op die van zijn ex. Uiteindelijk wordt hij luidkeels ‘wat is dat voor naald!’ roepend meegenomen. Zo komt er elke keer een nieuwe draai of invalshoek, waardoor je je blijft verwonderen tot het eind.
Voor wie het heeft gemist is er slecht nieuws: we zagen de allerlaatste Love It Noorman gaat verder met zijn nieuwe programma, bestaande uit muziek van Tom Waits.
Theaterkrant.nl – december 2022
Tekst: Dick Hauser
Geschreven in opdracht van Stichting Het Raadhuis Grootschermer.
DROGE VOETEN
1. DROGE VOETEN
Dit dorp.
Deze dijk.
De sloten.
De vaart.
Dit Raadhuis.
Het Schermereiland.
Het is er altijd geweest.
Zo voelt het.
Maar dat is natuurlijk niet zo.
Ik ben Griet Pieterzoon.
Geboren 1606.
Gestorven 1669.
Ik vertel u mijn geschiedenis.
En de geschiedenis van mijn voorouders en nazaten.
En de geschiedenis van deze plek.
Het is 900.
Er woont hier geen sterveling.
Niemand.
Geen hond.
Geen mens te bekennen.
Wind en water hebben vrij spel.
De polders,
de Schermer en De Beemster,
bestaan nog niet.
Nog lang niet.
Dit is een uitgestrekt,
onbewoonbaar veenmoerasgebied.
Een modderpoel.
Zompig land.
Een natte spons.
Je kon er maar beter niet komen.
Linke soep.
Gevaarlijk.
Levensgevaarlijk.
Droge voeten?
Ha, droge voeten.
Vergeet het maar.
Waar ze wel wonen?
De eerste stervelingen van Noord Holland?
Daar.
Daar wonen ze.
Daar in het westen.
Pal achter de kust.
Pal achter de duinen.
Hoog en droog.
Daar….daar hebben ze droge voeten.
2. DE EERSTE BEWONERS
En dan komen ze.
Zo’ duizend jaar geleden.
Vanuit het Westen.
Naar het Oosten.
Naar hier.
Dan komen ze.
Mensen uit Heiloo en Limmen.
Monniken uit Egmond.
Dan komen ze.
Naar hier.
Ze hebben land nodig.
Voor landbouw en veeteelt.
Ze hebben land nodig.
Maar dit hier is geen land.
Dit is een drassige, natte spons.
Die moet je uitwringen.
Keer op keer op keer.
Keer op keer op keer.
Daar helpt geen lieve heer aan.
Dat vereist doorzettingsvermogen.
Engelengeduld.
En dat hadden ze.
De mensen uit het Westen.
Ze gebruikten niet veel woorden.
Ze gingen het gevecht aan.
Het gevecht met het water.
Ze groeven slootjes.
Het moerasgebied werd drooggemaakt.
Beetje bij beetje.
Stukje voor stukje.
Lapje voor lapje.
Maar de droge veengrond verbrandde.
Dat wisten zij niet.
En het water steeg.
Dat wisten zij ook niet.
Ze haalden hun schouders op en begonnen ijverig opnieuw.
3. DE WATERWOLF
De slootjes werden riviertjes.
De riviertjes werden rivieren.
De rivieren werden plassen.
De plassen – zoals het Schermeer - werden ware binnenzeeën.
(gericht op persoon) Kent u de waterwolf?
(gericht op een ander) Kent u de waterwolf?
Hij eet land.
Hij vreet land.
Hier – op het Schermer Eylandt - lagen twee kleine dorpjes.
Noordeinde en Zuideinde.
De waterwolf loerde.
(op een ander persoon) Kent u Graaf Floris V?
Hij ging de waterwolf te lijf.
Hij liet een dijk aanleggen om het hele Schermer Eylandt.
Die dijk zou de dorpjes tegen het water,
tegen het Schermeer waar het kon spoken,
beschermen.
Maar dat lukte niet goed.
De waterwolf sloeg hard toe.
De Allerheiligenvloed van 1570
vaagde het hele Noordeinde weg.
De waterwolf vrat het dorpje op.
De waterdreiging bleef.
De waterwolf moest getemd worden.
4. HET VERRE NOORDEN
Mijn man Claes was op zee.
Altijd.
Maanden weg.
Naar het Verre Noorden.
Spitsbergen.
Walvisvaart.
Walvisvaarder.
Harpoenier.
Alleen in de winter is ie thuis.
In de winter weer op huis aan.
Naar moeder de vrouw.
Ik werk op het land,
Ik doe het vee.
Ik vind het best,
al die maanden alleen.
Alleen met de kinderen en de koeien.
Ik ga mijn eigen gang.
Niemand die zich met mij bemoeit.
Niemand die mij de wet voorschrijft.
En ik geloof in het Schrift.
Klein geluk.
Een dak boven het hoofd.
De kinderen en de beesten.
Droge voeten.
5. STRAKS IS ER GEEN WATER MEER
‘Goede grond ligt op de bodem van het meer.
Holland heeft die goede grond nodig.
Graan moet hier groeien.
Koeien moeten hier melk geven.
Schapen wol.
Holland….Holland is groot geworden door de handel.
Die handel vraagt meer goederen.
Meer goederen.
Steeds meer.
In polders,
zoals hier,
worden die verbouwd.
Handel brengt rijkdom en werk.
Ook voor u.
Ja. Ook voor u.
Er is geen ogenblik te verliezen.
Zijn er nog vragen?’
‘Geen vragen?’
Jawel.
Handel brengt rijkdom en werk.
Ook voor u, zegt u.
Ook voor mij?
‘Ja. Ook voor u.’
Daar geloof ik geen barst van.
Ik ben een visser.
Ik blijf een visser.
Wat…..wat als er straks geen open water meer is?
Geen golven met schuimkoppen?
Hoe moet ik leven?
Ik ben een visser.
Ik kan niet boeren.
Ik heb geen toekomst.
Hij weet niet beter.
Mijn Claes.
Mijn man.
Met zijn verweerde visserskop.
Hij weet niet beter.
Hij kan niet anders.
Hij is een visser.
Hier op het Schermeer.
Net als zijn vader.
Net als zijn grootvader.
Net als zijn overgrootvader.
Een familie van vissers.
Claes denkt dat het hier naar de verdoemenis gaat.
Claes moet er niet aan denken als er straks
geen open water meer is.
Als er straks geen masten
en zeilen meer te zien zijn.
Maar alleen iepen en wilgen
die in strakke rijen langs de wegen
en de paden naar de grote boerderijen staan.
6. MOLENS
Sjoeff (6x).
Twee en vijftig.
Twee en vijftig molens
- poldermolens –
malen.
Sjoeff (6x).
1 jaar lang.
12 maanden.
365 dagen.
Continu.
Geen tijd te verliezen.
Elke dag,
dag en nacht,
malen de molens het water omhoog.
Sjoeff (6x).
52
Ondermolens,
middenmolens
en bovenmolens
malen 1 jaar lang.
Vier seizoenen.
In het zelfde gestage tempo.
Sjoeff (6x).
52 molens
maalden het water
van de binnenboezem
naar de tussenboezem
en van de tussenboezem
naar de buitenboezem
Slimme mannen
- zoals Leeghwater –
- wie kent hem niet –
hadden het bedacht.
Sjoeff (6x).
1 jaar maalden de 52 molens.
En toen……
was het enorme meer droog.
Droog.
Het hele meer was drooggemalen.
Het vier meter diepe meer was drooggemalen.
Water was land geworden.
We konden onze ogen niet geloven.
Kijk eens goed.
Kijk dan goed.
Geen sprietje.
Geen sprietje te bekennen.
Niks.
Geen sprietje.
Alleen klei.
Alleen klei.
Van Driehuizen tot Akersloot.
Van Schermerhorn tot Ursem.
Alleen maar klei.
7. DE POLDER
Ik ben niet zo van het rekenen.
Van de getallen.
Ik doe m’n best.
Toen het hier eenmaal droogviel spraken ze,
de hoge heren,
van 6400 morgen.
Dat is nogal wat.
Dat is veel land.
Heel veel land.
Hoe verdeel je dat?
Hoe verkavel je dat?
Wij arme sloebers,
boertjes,
vissers,
burgers op klompen,
eenvoudige bewoners van dit dorp
en de omliggende dorpen,
kregen natuurlijk niets.
Geen plakje van de koek.
Dat is simpel.
Wij hadden niet geïnvesteerd.
Geen geld gestoken in de drooglegging.
In het nieuwe land van de polder.
Ja, wij mochten werken op dat land.
Konden ons krom werken op dat land.
Konden grond pachten.
En zij….zij hadden zich al rijk gerekend.
De hoge heren, de investeerders.
Zij wreven in hun handen.
De kooplieden uit Amsterdam, Alkmaar en Enkhuizen.
Handelaren uit Medemblik.
De burgemeester van Alkmaar.
De burgemeester van Hoorn.
Maar dat viel even vies tegen.
Ze zijn er ingetuind.
Met open ogen.
Voor het lapje gehouden.
De drooggelegde grond in de Schermer bracht maar
21 gulden per morgen op.
Wat zeg je daar?
21 gulden per morgen?
Klopt dat wel?
In de Beemster vingen ze 40 tot 45 gulden per morgen.
Ja, maar de Beemster is andere grond.
Andere grond?
Ja, andere grond.
Deze grond,
de grond van de Schermer,
was minder vruchtbaar.
Minder waard.
Het maaiveld was ongelijk.
En er was kwel.
Daar kan je niet zoveel mee.
Geen gewassen.
Geen aardappelen.
Geen uien.
Alleen veeteelt.
Te vochtig voor schapen.
Het was een tegenvaller.
Een flinke tegenvaller.
Een domper.
Je had hun gezichtsuitdrukking moeten zien.
Je kon het chagrijn van de koppen van de hoge heren lezen.
Ik denk dat er flink gevloekt is.
Mij maakt het niks uit.
Als ik de koeien maar kan laten grazen.
Als de kippen maar kunnen rondscharrelen
en een ei leggen.
8. EEN PAAR JAAR LATER
Een paar jaar later
- ik ben dertig jaar -
Gaat het hier heel goed.
Wie had dat gedacht?
Ik niet.
Claes ook niet.
Er wordt bier gebrouwen,
beschuit gebakken en hennep geteeld.
Er wordt touw geslagen,
zeil getaand en hout gezaagd.
Er worden tonnen gekuipt,
haringbuizen gebouwd en netten gebreid.
Er zijn hier 4.000 koeien
en 4.000 schapen.
Dit Raadhuis – een groot gebouw voor zo’n klein dorp –
wordt in 1639 gebouwd.
Ik voel me klein en trots.
9. DE WIND
alles in de wind
alles in de wind
daar liep een schipperskind
alles in de wind
alles in de wind
daar liep een schipperskind
kom hier rosa
je bent m'n zusje
je bent m'n zusje
kom hier rosa
je bent m'n zusje
ja ja
Ja, wij hebben de wind.
De zwoele zomerse zucht.
De juniwind die over het nog groene graanveld aait.
De eeuwige westenwind.
De schrale oostenwind.
De strakke noorderwind.
De angstaanjagende zuidwester.
De septemberwind.
De gure herfstwind die de laatste bladeren van de bomen waait.
De januaristorm die de takken laat zwiepen.
Wij hebben de waterkoude maartse.
oh wat een spijt
oh wat een spijt
nu ben ik m'n zusje kwijt
oh wat een spijt
oh wat een spijt
nu ben ik m'n zusje kwijt
kom hier rosa
je bent een ander
je bent een ander
kom hier rosa
je bent een ander
ja ja
Ja, wij hebben de wind.
De wind die de gedachten verdrijft.
Je hebt de wind mee of je hebt de wind tegen.
Mijn achterachterachterachterkleindochter,
brugpieper Maartje,
op de fiets van Grootschermer
naar de middelbare school in Alkmaar,
kan er over meepraten.
onder de brug
onder de brug
vond ik mijn zusje terug
onder de brug
onder de brug
vond ik mijn zusje terug
kom hier rosa
kom hier rosa
je bent m’n liefje
je bent m’n liefje
kom hier rosa
je bent m'n liefje
ja ja
kom hier rosa
kom hier rosa
je bent m’n liefje
je bent m’n liefje
kom hier rosa
je bent m'n liefje
ja ja
10. TEGENSLAG
Maar het kon natuurlijk niet goed blijven gaan.
Tegenslag.
Nou zeg maar gerust rampspoed.
De voorspelde Bijbelse plagen.
De mislukte oogsten van 1648, 1650 en 1651.
En de daarop volgende hitte.
Ongedierte
- ratten, luizen en steekvliegen –
en ziekte.
Claes, mijn Claes, sterft.
En dan de laatste plaag; Alkmaar.
Ja, Alkmaar.
Met hun arrogantie en hun bezitsdrang.
Met hun wetten en regels.
Daar ging Grootschermer zich natuurlijk niet naar schikken.
Daar is onze haat-liefde verhouding met die kaasstad geboren.
11. DE VOORUITGANG
Ik weet zeker dat ik het niet gedroomd heb.
Vooruitgang.
Ze noemden het de vooruitgang.
De twintigste eeuw.
De hele wereld veranderde.
In rap tempo.
Van petroleumlamp naar elektriciteit.
De eerste auto’s.
De eerste tractor.
Sikkel en zeis werden vervangen door een maaimachine.
Bruin werd vervangen door een trekker.
De vooruitgang.
De Zuiderzee werd afgesloten.
Met een hele lange dijk.
De zee werd een meer.
De zee kon nooit meer in de buurt komen.
Nooit meer overstromingen in het Waterland.
Altijd droge voeten.
De eerste tjoekende melkmachines.
Gas- en waterleidingen.
Koude kamers werden warme kamers.
De waterstanden op de radio.
Mannheim 322…….plus 11.
Lobith 368…….min 7.
De vooruitgang.
De eeuwige petten en de corduroy buisjes
verdwenen uit het dorpsbeeld.
De huishoudens werden kleiner.
God was – ik kan het me niet voorstellen – op z’n retour.
De Noordzee was hier ver weg.
Maar in Zeeland niet.
Zeeland werd getroffen door de watersnoodramp.
De dijken waren te laag en te zwak.
1836 doden.
Nederland besefte dat er nu iets groots moest gebeuren.
De vooruitgang in Grootschermer.
De kleine winkeliers verdwenen.
Eén voor één.
De bakkerijen van Piet Klok, Jan Kuin en Jaap van Truien.
De fietsenmakers, het postkantoor.
De manufacturenwinkel van Aal Poeser.
Pilkes Elektronica.
En de boeren,
op een paar na,
verdwenen uit het dorpsleven.
Toen was er al televisie.
Bonanza. Rawhide. Dappere Dodo.
Zwart-wit.
Alles was nog zwart-wit.
Iedereen keek naar het zelfde journaal.
Iedereen zag hoe de eerste man op de maan landde.
Iedereen zag hoe de Deltawerken stap voor stap werden voltooid.
Heel Nederland was nu veilig voor het water.
Droge voeten.
11. HIER EN NU
Mijn blik glijdt over het vertrouwde landschap.
Daar, heel hoog, een biddende buizerd
die zijn prooi scherp in de gaten houdt.
De diepblauwe lucht.
De opkomende zon.
Het ruisende riet.
Hemel op aarde.
Nou, laten we niet overdrijven.
Het vertrouwde landschap.
De bekende bomen.
De bekende sloten.
De bekende weiden en dijken.
De bekende koeien.
De bekende mist.
De bekende modder.
De bekende blauwe overalls
te drogen aan een lijn.
De bekende grote dingen.
En de bekende kleine dingen.
Ik….ik kan er niks aan doen.
Ik vind het gewoon mooi.
Met mij gaat het goed.
Ja.
Ik ben hier thuis.
Hier is ruimte.
Hier is de wind.
Hier kan ik ademen.
En hier heb ik droge voeten.
Jullie hebben de eeuwigheid afgeschaft.
Jullie leven zoveel langer dan vroeger.
En jullie hebben de strijd van het water gewonnen.
Na honderden jaren weten jullie niet beter.
Altijd droge voeten.
Altijd-droge-voeten.
Ik denk dikwijls aan het water.
s’ Avonds als ik in mijn bed lig.
Heel dikwijls.
Dan is het water ver weg.
Dan weer is het dichtbij.
Hoor ik de golven van het verdwenen meer.
Altijd droge voeten?
Vergeet het.
Vergeet het maar.
De zeespiegel stijgt
- de dreiging van het wassende water -
de zeespiegel stijgt,
het grondwater zakt.
Het veen oxideert en klinkt in.
De palen van ons kerkje rotten weg.
Elk moment kan het afgelopen zijn.
Kijk straks bij het weggaan nog even naar de voordeur.
Naar de stoep met meerdere treden.
In 1639 was er geen stoep met treden.
Lag de voordeur gelijk aan het maaiveld.
Zoveel is de bodem gedaald.
Hoe zal het volgende hoofdstuk er uitzien?
Hoe zullen mijn verre, verre nazaten hier leven?
Houden zij droge voeten?
Of krijgen zij natte voeten?
Natte voeten?
Da’s niks voor mij.
Ik moet er niet aan denken.
Ik kan er niet aan denken.
Verschenen in: HP/DE TIJD – KERSTNUMMER 2019
Tekst: Dick Hauser
Hi Peer,
Je schopte tegen de doodskist van Ralph. Jouw grote, ongrijpbare vriend. Partner in crime. Je schopte tegen de kist. Niet heel hard, maar toch. Jij, de gecultiveerde onhandige, gaf een handig gecontroleerd schopje. Gespeelde woede met een ondertoon van liefde. Dat is wat ik zag. Waar een ander ineenkrimpt van de podiumvrees stond jij op. Nooit verlegen om een vondst. Nooit verlegen om aandacht. Kwaliteit interesseerde jou geen ruk. Script, personages? Niets mee te maken.
Wat is absurdisme? Jij was het vleesgeworden absurdisme. Hoe jij met ongerichte maaiende armen ‘Wild Thing’ van The Troggs kon zingen terwijl jij overduidelijk een jazzcat was. Hoe jij in het zeilbootje van Jim in opdracht - ‘vasthouden hè, belangrijk’ - urenlang, zeer geconcentreerd een onzinnig los stuk touw vasthield. Ontregelen, al dan niet in opdracht, zit in jouw aard. Doorassociëren tot iedereen omvalt. Gelul. Een hele hoop gelul. Zijpaden, heel goed in zijpaden. Daartussen altijd een paar briljante zinnen. Onbegrijpelijk begrijpelijk. En dan natuurlijk jouw kop. Jij sprak zelf nooit over een hoofd, altijd een kop. Jouw kop met dat specifieke haar. Daar had een beeldhouwer zijn best op gedaan. En uit die kop kwam een stem uit duizenden te herkennen. Van Handke tot Bommetje. Van de Ghelderode tot van Gogh. Maar we gaan ons natuurlijk niet aan de tekst houden. Zoek maar een goede take.
Jouw begrafenis was een intieme, strak geregisseerde voorstelling met programmablad en al. Ruim twee uur. Groot contrast met de in een half uur gepropte, half geïmproviseerde gemeentebegrafenis van Ralphieboy. Ik tel ze toch ongemerkt bij elkaar op. Theater op hemels niveau. Absurdisme bestaat. Hauser Orkater bestaat. Dzjatsh bestaat. Jij daarboven in die vuilnisbak van Beckett. Af en toe de deksel omhoog. En maar ratelen. Maar dan vertraagd. Dat is wat ik nu zie.
Speech Dick Hauser bij de opening van ‘Wat Beweegt….’
Rijksmuseum Twenthe, 30 juni 2019
Peter Zegveld.
Wat Beweegt.
Of wat beweegt er niet?
De tijd zal hem niet ontglippen.
Er moet worden onderzocht.
Altijd.
Altijd.
Experimenteren.
Die drang tot verandering.
Doen.
Doorgaan.
Heel veel doen.
In zijn atelier.
Speakers.
Elektriciteitsdraden.
Oude cassetterecorders.
Krommers.
Stukken hout.
Oliespuiten.
IJzeren statieven.
Nog meer speakers.
Lampen.
Theaterkluiten.
Toch ook verf.
Veelal zwart.
Schetsen.
Berekeningen.
Werktitels.
Onorthodoxe schoonheid.
Welkom in het universum van Peter Zegveld.
Hij is geen illusionist.
Geen goochelaar.
Er zijn geen geheimen.
Er is geen mysterie.
Hij laat de truc zien.
Open en bloot.
Het werk is concreet.
Vanzelfsprekend.
Je ziet alledaagse spullen.
Je ziet de constructie.
Het ambacht.
Je ziet wat je hoort.
En je hoort wat je ziet.
En toch is er altijd die andere laag.
Zoals bij een goede cartoon
waar je nog even opnieuw naar moet kijken
om het echt te bevatten.
Zintuigelijke ervaring.
Dat is het doel dat Zegveld in ieder beeld,
in iedere sculptuur, nastreeft.
Alle beelden die wij hier zien zijn af.
Spreken voor zich.
Maar wij voelen aan alles dat hij lang heeft gezocht.
In dat atelier,
tussen al die spullen,
met al die spullen,
voor dat het beeld zijn affe vorm vond.
Vrijwel alle beelden maken geluid.
Van subtiel, zacht geluid tot een harde, onverwachte knal.
BANG.
Van ruis en gereutel
tot geratel en helder,
ritmisch en ruimtelijk geplop.
In zijn vroegere live performances werkte Peter
vaak met gestileerde ontploffingen.
Explosies.
Springladingen.
Stond er ergens op een gang een vuilnisemmer gevuld met buskruit.
Of in het Centraal Museum Utrecht een serie van 80 verfbazooka’s.
Regelmatig werd er in België buskruit gekocht.
Auditief en visueel spektakel,
maar ook toen al muzikaal zeer gedoseerd.
Nooit alleen het effect.
Een natuurlijk gevoel voor de spanningsboog.
Hooguit in de weg gezeten door Zegveld’s dadendrang, ideeëndrift en zweet.
Alle beelden die wij hier kunnen zien maken geluid.
Wie Peter goed kent weet dat hij met zijn mond
al die zeer uiteenlopende geluiden perfect kan imiteren.
Peter kan heel goed ingehouden jammeren
of met een kopstem hoog zingen.
Vaak is zijn eigen stem ook de bron van het geluid.
Vaak is er sprake van een onregelmatig ritme
Of aanzwellend geluid.
Of geluid dat juist als een golf wegebt.
Geluid is in het werk van Zegveld essentieel.
De sculpturen die wij hier zien zijn een fixatie van momenten.
Nooit statisch.
Altijd dynamisch.
Nooit bevroren.
Altijd is er beweging.
En komen de beelden tot leven.
Zijn ze bezield.
Ze doen iets.
Vaak zien wij een poging.
Soms een onbeholpen poging.
Een tot mislukken gedoemde poging,
die door de herhaling menselijke trekken krijgt.
Oppervlakkig zou je misschien kunnen zeggen
dat het recente werk van Zegveld ingetogener is geworden.
Soms ook kleiner van schaal.
Maar ik zie het werk van Peter als één grote familie.
Een levendige familie met onderling een grote verwantschap.
Peter is de natuurlijke Pater Familias van die familie.
Van de corton stalen trein nabij parkeerplaats ‘De Hamselaar’.
Van het ‘Schrijfkanon’ bij Almere.
Van ‘Dynamica Tumultus’.
Tot het kleine, verfijnde Spookje.
De afwezige Peter is zeer aanwezig in zijn werk.
Zijn spirit.
Zijn humor.
Zijn gesar.
Zijn fysiek.
Zijn motoriek.
Zijn stem.
Wij zien hier een serie kinetische objecten.
Groot en klein.
Veel nieuw werk, deels ouder werk.
Het is een serie zorgvuldig afgestemde
mechanische minivoorstellingen.
Minivoorstellingen die op verzoek eindeloos herhaald kunnen worden.
Die herhaling is fijn.
Zoals in de dans.
Zoals een tweede koffie fijn kan zijn.
U kunt langer en korter kijken.
U kunt vaak zelf op een knop drukken.
Soms zelfs op een grote, rode knop.
Om de voorstelling te starten.
Opnieuw te zien.
Aarzel niet.
Ga op de uitnodiging in.
Start de film opnieuw.
Het is veilig.
WELKOM BIJ ‘WAT BEWEEGT……..’
Die herhaling is ook nooit helemaal het zelfde.
Het luistert nauw.
Het is verfijnd.
Het is wonderlijk.
Mechanisch.
Mini voorstellingen.
Voorstellingen van korte duur.
Die je in een vorm van onvoorspelbare herhaling kan ondergaan.
Dode materie krijgt de geest.
De wereld van Zegveld is een wereld die verwant is aan cartoons.
Het is een wereld die verwant is aan cartoons.
Zwart/wit, grijstinten, specifiek geluid.
Korte baan, die de lange baan, het universum oproept.
Ruis.
Stilte.
Het geluid verstomt.
Door Flip en de Noormannen
Regie: Dick Hauser
In Kantine Walhalla Rotterdam
Flip Noorman laat de liedjes van Leonard Cohen fonkelen
Een verrukkelijk concert waarin zowel puristen als avonturiers aan hun trekken komen.
Zanger Flip Noorman (31) schrijft doorgaans zijn eigen, Nederlandstalige liedjes, maar zijn stijl werd in de media al vaak vergeleken met die van Leonard Cohen. Niet zo heel gek, want de in 2016 overleden Canadese zanger en poëet is een groot voorbeeld van Noorman. De eenmalige hommage die Noorman aan Cohen bracht, een paar jaar terug in Paradiso, smaakte naar meer. Nu gaat hij op tournee met een eigenzinnige greep uit Cohens majestueuze songboek.
Een zeer verstandig besluit, want allemachtig, wat een verrukkelijk theaterconcert heeft dat nu opgeleverd. Begeleid door zes muzikanten, onder wie een cellist en violist, laat Flip Noorman de liedjes van Leonard Cohen fonkelen, door ze respectvol intact te laten of juist eigenwijs binnenste buiten te keren.
Sommige nummers heeft Noorman fraai naar het Nederlands vertaald, andere zijn gewoon in het Engels gebleven. Zo krijgen we Everybody Knows in het Nederlands (‘Dat weet iedereen’), net zoals First We Take Manhattan, waarin Noorman het presteert om Albert Heijn op Berlijn te laten rijmen. Maar klassieker Suzanne is gewoon in het Engels te horen, net zoals Chelsea Hotel, Take This Waltz en You Want It Darker. De puristen hoeven zich dus geen zorgen te maken, maar ook diegenen die iets avontuurlijks willen horen komen aan hun trekken.
Dreigend fluisterend, fel brullend, zwoel romantisch, grappen makend; Flip Noorman weet in zijn performance steeds te schakelen en de sfeer aangenaam losjes te houden. Hij brengt zeker geen slaafse imitatie van Cohen, maar wat de twee zangers delen is hun lage, donkere zangstem. De liedjes van Leonard Cohen zitten Flip Noorman simpelweg als gegoten.
Joris Henquet, Volkskrant 22 oktober 2019
Macrooy en De Boer kleuren hommage
Tien jaar lang opende De Kleine Komedie haar seizoen met Muzikale helden: popmuzikanten en kleinkunstenaars die liedjes zingen van hun jeugdidolen en daar hopelijk ook een leuk, ontroerend of in het fijnste geval beschamend verhaal bij hebben. Die verhalen vallen tijdens deze laatste editie een beetje tegen. Tweede kanttekening: geen guilty pleasure te bekennen. Een lekkere smartlap of wanstaltige ballad blaast toch wat lucht in zo'n avond.
Wél voor het eerst aanwezig: een overkoepelend thema. 'De sterke vrouw.' Het is de rode draad in de mooie minicolleges die popprofessor Leo Blokhuis als altijd ten beste geeft. Over Aretha Franklin, Nina Simone en Ella Fitzgerald, die keihard knokten voor hun plek in de muziekgeschiedenis. Of over Madonna, de eerste vrouw in de popindustrie die zelf bepaalde hoe ze eruitzag.
Al die vrouwen komen natuurlijk ook terug in de gezongen nummers en het is vooral Shirma Rouse die indruk maakt met vertolkingen van Fitzgerald en zeker Franklin, wier liedjes ze al lang zingt. Nina Simones eerste hit, I Love You Porgy, wordt verrassend en breekbaar vertolkt door de Surinaamse zanger Jeangu Macrooy.
Christine de Boer brengt een perfecte De laatste dans, van Annie M.G. Schmidt, en mag direct na de pauze laten zien hoe veelzijdig ze wel niet is. De Boer lijkt meestal de liefste en meest zorgeloze vrouw op aarde, maar laat soms opeens een heel ander, niet zelden angstaanjagend gezicht zien. Tijdens Stromaes Formidable spreekt de wanhoop overtuigend uit haar keel en ogen.
Het Parool, Mike Peek, 14–9-2018
The performance shows good circus qualities but also actually tells a story and thus breaks circus and theater traditions. The different media (including the television screens, video recordings and music) worked well together and allowed the story to be told and the jury to be touched by it.
The jury of the Amsterdam Fringe Festival about Not Somewhere Else
During the Brighton Fringe Festival, a member of our team Beth, visited Monki Business to see the international premier of his new show, Not Somewhere Else.
Monki is circus performer from Amsterdam. He became Monki when he discovered the Chinese pole and double pole, during his circus training. Now he takes us, the audience, on a journey inside his world and inside his head.
Monki broke the boundaries between circus and theatre by creating a show that uses live music, spoken word, video, circus, and a touch of madness (his own words) to invite the audience into the inner workings of his mind. He broke the fourth wall with the audience, by including us in the show and by speaking to us, to let us know that he was scared of us. He built a wall between him and the audience with a line of shoes, which made him feel more comfortable with us. It was a truly endearing and enlightening experience to be welcomed in to his world.
Monki was a truly accomplished circus performer, moving around his two pole set up beautifully and doing some terrifying drops to the floor which had the audience gasping. He was also a talented musician playing his bass guitar and using a loop peddle to make beautiful melodies that accompanied the his circus acrobatics.
Alongside this, Monki spoke to the audience (often from on top of a very high pole!), as well as having lots of old television screens that he had filmed himself speaking on, and so he had a dialogue with himself, almost as if these were his innermost thoughts talking back to him.
It was a brilliant merge of circus, acrobatics, music, cabaret, theatre, spoken word, drama and many other things. Brilliantly strange and endearing, Monki made the audience empathise with him, which is a difficult task to do.
Quiet Down There
Not Somewhere Else a Blog by Beth Moss
De mooiste liedjes gaan niet over de liefde, maar over eenzaamheid. Was getekend: Kasper van Kooten. Even later zet hij het bedrieglijk vrolijk klinkende While you see a chance in, van Steve Winwood. Van Kooten heft zijn vinger als de beste zin eraan komt. "When there's no one left to leave you, even you don't quite believe you, that's when nothing can deceive you." Een prachtig nummer inderdaad, dat je mede door zijn introductie met een iets andere blik naar Van Kooten laat kijken. Dat is direct de grote kracht van Muzikale Helden, de traditionele seizoensopener van De Kleine Komedie waarin bekende artiesten liedjes zingen van hun idolen. Vaak vertellen ze er namelijk ook bij waaróm die zanger of dat nummer hen zo bekoort. Misschien zelfs inspireerde om zelf muziek te gaan maken.
Ziel van het talent
Muzikale helden geeft zo een kijkje in de ziel van het talent. Dat alles fraai omlijst door Leo Blokhuis, die genres met elkaar verbindt en een bord vol smakelijke anekdotes opdient. Over liedjes (zoals Elvis Presleys Are you lonesome tonight?) die beantwoord werden met een ander lied (Yes, I'm lonesome tonight zong Dodie Stevens). Of over het tragische, maar stiekem ook behoorlijk geestige einde van de Amerikaanse countryzanger Gram Parsons. De Kleine Komedie heeft voor deze editie wederom een mooi uitgebalanceerde cast samengesteld. Maar al zingt Pim Muda een schitterende versie van Randy Newmans Everytime it rains, de linkerhand in de zak, een passend sentimentele blik op zijn gezicht; al ontroert Stephanie Struijk met het ingetogen Vanity van Sarah Vaughan, toch is Muzikale helden 2016 vooral de grote Krystlshow. Wat een fantastische performer is die vrouw. En wat laat ze veel kanten van zichzelf zien. Haar stampende Something's got a hold on me (Etta James) zet de zaal al vroeg op zijn kop, terwijl ze later met Ben van Michael Jackson haar loepzuivere stem mag laten horen. Vlak voor de pauze brengt ze samen met haar collega's ook een Backstreet Boysmedley. Ze was zo'n meisje dat naar alle concerten ging en die vijf jongens de beste zangers ter wereld vond. Howie Dorough was haar favoriet. Niet omdat hij de knapste of de leukste was, maar juist omdat de meeste meisjes voor één van de andere jongens kozen. Bij Howie had ze toch iets meer kans ... Heerlijk detail.
Prettig ontregelend
Het mag dan een guilty pleasure zijn, Krystl gaat er vol in. En zo hoort het ook. Muzikale helden gaat niet over goed of beter, maar over wat je raakt. Of raakte. Persoonlijk enthousiasme is belangrijker dan 'objectieve' kwaliteit. Een uitstekende zet ook om Gerson Main voor deze editie te vragen. 'De jongen met de wintermuts' (op deze tropische septemberdag had hij er wel een kek bloemetjesshirt bij aangetrokken) is een vreemde eend binnen dit ensemble, maar zijn aanwezigheid werkt prettig ontregelend. Mains naar eigen zeggen 'goedbedoelde, doch knullige' benadering van Al Greens Let's stay together is in één woord lief. En Eddy Christiani's knetteroubollige Zaterdagmiddag wordt door zijn opvallende verschijning en dito intonatie zelfs weer hartstikke hip.
Het Parool, Mike Peek, 15-09-2016
Frêle danseres, sneue sneeuwman
Een teer verhaal, de ontmoeting van mensen en speelgoeddieren, een muis, een beer, een robot, een popje, een racewagen. Zeven muzikanten en acht acteurs maken De kleine sneeuwman. Een sprookje dat grensoverschrijdend wordt ommuurd door een sfeer die Nederland en China verbindt, op basis van een boek van de schrijver/illustrator Harmen van Straaten. Het resultaat is een verrassende internationale coproductie van toneel en dans. Daarin is een balans gerealiseerd tussen twee uiteenlopende theaterstijlen. Muziek is het bindmiddel. Deze is Chinees van signatuur, ook al is componist Egon Kracht er mede verantwoordelijk voor. Er is geen weegschaal aan te pas gekomen, denk ik. Wij rouwdouwers zijn directer en brutaler in de aanpak, het Chinese element typeert verfijning en ultieme, soms tergende vertragingen.
Het trefpunt is een grote voorstelling. Niet kolderiek, niet uitbundig en niet kluchtig. Bovendien valt er weinig te lachen. Omdat ze als signalement 4+ laten noteren, kun je erop wachten dat er een ‘taalprobleem’ ontstaat, zowel voor publiek met een Chinese als een Nederlandse achtergrond. Het is even wennen... Maar niet direct een cultuurshock. We noteren in een prikkelend contrast verschillen in de manier van kijken en spelen. Meer is het niet. Er valt mee te leven.
Heel slim poetsen ze de obstakels weg door het er eenvoudig niet over te hebben. Je doet je best maar. In de gesproken en gezongen teksten wordt niet geopereerd met vertalingen of met boventiteling. De beide talen vullen elkaar aan en het duurt niet heel lang of er heerst een wonderlijk automatisme. Grote effecten schuwen ze, met als doel in de buurt te blijven van twee personages, een frêle balletdanseres en een sneue, eenzame sneeuwman. Van zijn engel krijgt hij niet meer dan een uur om haar te benaderen. Als het hem niet lukt, zit er een sanctie aan vast. Bij tijdsoverschrijding zal hij reddeloos wegsmelten. Hij heeft geen keus. Het hangt van haar af...
Jaques J. d’Ancona, Dagblad van het Noorden 28 – 12 – 2016
Wat prachtig slow theater! Alles duurt lang en dat is me toch fijn! Het muzikale intro, een mooie mengeling van Chinese en soms jazz-achtige melodieën, neemt er de tijd voor! En dan stuiven de felgekleurde flitsende speelgoedfiguren het podium op. Gek genoeg doen ze niet zo veel. En nog gekker: dat is niet erg. Het verhaal én de muziek neemt het publiek mee naar een wonderbaarlijke kinderwereld waarin alles mogelijk is. Ook samenzijn met een sneeuwman. Samen opgesloten zijn in een glazen bol met je ijskoude geliefde. Dat is de wens van een lieftallig rose Chinees ballerinaatje en die wens wordt, ook weer gek genoeg, begrepen door het kinderpubliek. Alle kinderen kiezen luid roepend voor de liefde, een mooiere boodschap kon dit prachtig vernieuwend opera-achtig theater niet overbrengen.
Marieke Woudstra, 04-01-2017
Ik heb een superleuke middag gehad afgelopen zondag!
Dit is de beste en meest originele manier om het levenslied en de Nederlandse smartlappen te brengen. Een middag waar alles in zat maar vooral heel veel eigenheid, dit kun je gelukkig niet navertellen maar moet je beleven. Een voorstelling uit het hart, zonder opsmuk wat het levenslied erg veel recht doet in heel veel verschillende vormen. Ik hoop dat dit vaker wordt georganiseerd!
Heel veel succes en hopelijk tot een volgende keer!
Een koning in het donker
Saul: zijn naam klinkt als muziek. Wellustig proeft acteur Dirk Roofthooft hem op de tong. Maar in de klanklawine die volgt, maken we de neergang mee van een Bijbelse koning die kapotgaat aan zelftwijfel. Het Zeeland Nazomerfestival opent met heftig muziektheater.
‘Mijn God... godverdomme.’ Zijn opdracht draagt hij letterlijk als een vloek. Blazend, zuchtend en kreunend stapt Dirk Roofthooft de lasloods in Vlissingen in. De trombonespeler in zijn zog – zijn echo en alter ego – dient hem grommend van antwoord.
Saul, een eenvoudige man van het land, is door God uitverkoren voor het koningschap. De twijfel en onmacht slaan hem lam. Hij voelt zich alleen: God heeft de vlam aangestoken en daarna gedoofd, zonder nog iets van zich te laten horen. Voor ons staat een roepende in de woestijn, worstelend met zijn status.
Voor Saul bracht Zeeland Nazomerfestival een team van gevestigde waarden samen. Rob De Graaf (Nieuw West) schreef de tekst, Dick Hauser (Hauser Orkater) voert de regie en Boudewijn Tarenskeen (diverse film- en theatermuziek) boog zich over de partituur.
Maar de magneet van de voorstelling is Dirk Roofthooft. De acteur vecht solo een robbertje uit met een bigband, die een pletwals produceert van scherpe, hoekige freejazz. We zien Saul ondergaan in de klankenbrij, die zijn donkerste fantomen oproepen. Om daarna weer boven water te komen en de muzikanten aan te jagen of ermee te duelleren. De verstrengeling van muziekscore en verhaal maken de tragiek van Roofthoofts dolende personage voelbaar.
Branding
Het Zeeland Nazomerfestival, onder leiding van de Vlaming Alex Mallems, heeft dit jaar drie grote projecten op stapel. Ze typeren het scherpe profiel waarvoor het festival koos in de zuidelijkste Nederlandse provincie.
Het concept staat na vijftien jaar nog altijd stevig overeind. Het festival geeft voorrang aan nieuwe teksten en nieuwe muziek, en laat Nederlandse en Vlaamse podiumkunstenaars de affiche delen. Het trekt ook de kaart van verrassende buitenlocaties. Door nood ingegeven, want in Zeeland zijn de theaterzalen schaars. Maar het publiek ontdekte er intussen plekken waar het nog niet eerder kwam, om er bij ondergaande zon een bijzondere ervaring mee te maken. Zo speelde Zeeland Nazomerfestival al op een landduin in Wilhelminadorp, in een sluizencomplex of zelfs in de Westerscheldetunnel-in-aanbouw.
De hele provincie dient daarbij als podium. Dit jaar wordt weer het allerspannendste landschap opgezocht: de zee en het strand. Vanuit de publiekstribune gezien staat de speelvloer van Een zomerdag vlak in de branding bij Westkapelle, op een verhoogd podium naast Het Zuiderhoofd.
God is een gitaar
Saul zoekt een constructie- en montagehal aan de binnenhaven op, een ruwe loods die de sporen draagt van zijn geschiedenis. De wanden worden tijdens de voorstelling door een percussionist beklopt en bevraagd. Maar, net als God, geven ze ons niet het antwoord dat we verwachten.
In het muzikale scenario speelt de David Kweksilber Bigband, vaste gast in het Bimhuis in Amsterdam, een dragende rol. De muzikanten vormen het decor en de tegenspelers van Saul. Zo wordt het personage van David, Sauls latere opvolger, vertolkt door een rietblazer die onvermoede klanken in petto heeft. God zelf klinkt als een elektrische gitaar – althans bij monde van de profeet Samuel.
Het maakt van Saul muziektheater van het zuiverste water. Stemmingen wisselen in razend tempo. Je hoort de aanzet van een waanzinaria, heftige swing, veel bigband-kopermuziek, een triomfmars die snel de kop wordt ingedrukt. De zachte inzet van een contrabas of het nijdige getik van woodblocks wisselen af met een gammel walsje. Of neem het duet met vocaliste Claron McFadden: flarden stem, die voorbijwaaien alsof je aan de zenderknop van de radio draait.
De Standaard, Geert van der Speeten, 28-8-2015
De Amsterdam Klezmer Band is een feestband, zij spelen veel op bruiloften en partijen. Zij brengen de stemming tot grote hoogte en zetten de boel op stelten. In de Kleine Komedie is de uitspraak ‘Wij zijn een ruig publiek gewend’ effectief genoeg om de Amsterdammers tot geklap en gejoel te doen uitbarsten. Die laten zich niet tergen.
Nu is er voor enig enthousiasme wel reden. De band paart degelijke composities aan frivole en soms ontroerende improvisaties en brengt die met grote overtuigingskracht. De muziek is goed doordringbaar en is tegelijkertijd stevig gefundeerd in ambacht en techniek, met een overweldigende notenvlugheid en lichtheid. De balkaninvloed is goed hoorbaar, soms denk je aan Kurt Weil. De muzikanten hoeven geen oogcontact te zoeken om hun bedoelingen te communiceren; wat via het oor binnenkomt volstaat.
De Amsterdam Klezmer Band brengt vanavond het programma Benja, de première van een tournee. Het is een theaterconcert met een verhaal en enscenering, onder regie van Dick Hauser. Hoofdpersoon is Benja, die in de Russische stad Odessa, tijdens een Joodse bruiloft wordt geconfronteerd met de nieuwe ambitieuze politiecommissaris. Het verhaal wordt tussen de speciaal gecomponeerde nummers door verteld. Het decor bestaat uit verschillende gedekte tafels met glaswerk, al dan niet volgegoten.
Juist het meest beheerste werk maakt de grootste indruk, met prachtige solo’s op klarinet en trombone, verlopend in een melodieuze mars, die teruggebracht wordt tot verstild spel. De Amsterdam Klezmer Band is gewoon een zeer complete band.
Het Parool, Jan Jasper Tamboer, 07-10-2013
Hein van der Heijden maakt jongensdroom waar
“Als er zoiets als reïncarnatie bestaat, hoop ik terug te keren als muzikant,” zegt Hein van der Heijden. In de voorstelling ‘Ghost Track’, die haar première beleeft in De Harmonie, speelt hij de rol van Harry Been, een rocker die na ruim twintig jaar afwezigheid weer een album wil uitbrengen.
Van der Heijden: “Muziek is, naast acteren, mijn grote liefde. Als ik de kans krijg om me daar aan over te geven, grijp ik die. Voor mij is er niks leuker dan scènes spelen met liedjes erin. Helaas doet die mogelijkheid zich weinig voor in mijn vak. Toen me werd gevraagd mee te doen aan deze muziektheatervoorstelling, heb ik niet lang geaarzeld. Zanger in een band, dat is toch de vervulling van een jongensdroom? Ik speel de oude poplegende Harry Been, die door een traumatische ervaring lang geen muziek heeft kunnen maken. Hij is het type van de recalcitrante rocker: onberekenbaar, maar met een touch of genius. Eigenlijk wil Harry afrekenen met het verleden; tegelijk wordt hij geconfronteerd met zijn onvermogen om er mee in het reine te komen.”
Samenspel
‘Ghost Track’ speelt zich af in een opnamestudio, een ruimte vol muziekinstrumenten en microfoons. Track voor track krijgt Harry’s album daar gestalte, in samenspel met een technicus – zijn oude vriend Tom – en drie geroutineerde muzikanten. Langzaam stevenen ze af op een duet met zangeres Eva, ooit Harry’s geliefde, van wie alleen de stem nog bestaat, op band. ‘Ghost Track’ is ontwikkeld door Blau Hynder, een Fries productiehuis onder artistieke leiding van Anne Zwaga. “Het is een ontzettend leuke mix,” vertelt Van der Heijden enthousiast. “Die muzikanten zijn er voor de muziek, maar ze moeten ook acteren. En ik doe een lied op de gitaar. Doordat je zo intensief samenwerkt, ontstaat wederzijds respect voor het vak dat je uitoefent.” De regie is in handen van Dick Hauser, een grote naam in het Nederlandse muziektheater. “Dick is een van de oprichters van het legendarische Hauser Orkater, dat ik toentertijd niet live heb gezien maar waarvan ik wel de platen heb grijsgedraaid. Hij is heel ervaren, dat merk je.”
Musical
In zijn jonge jaren speelde Van der Heijden in bandjes, als gitarist. “Later heb ik ook trompet leren spelen. Dat was toen we bij Toneelgroep Amsterdam, waaraan ik lang verbonden was, de voorstelling ‘King Lear’ deden. Daar moest trompetgeschal in komen en de regisseur vroeg of ik daar voor wilde zorgen. Ik ben toen lessen gaan nemen bij Boy Raaijmakers van het Willem Breuker Kollektief. Zo heb ik dat instrument een beetje onder de knie gekregen.” Met collega Hajo Bruins, vormde hij een duo dat optrad bij feesten en partijen in het toneelwereldje. Na zijn vertrek bij Toneelgroep Amsterdam speelde hij in ‘Sinatra, That’s Life’, een eigenzinnige musical onder regie van Frans Weisz. Het leverde hem een nominatie op voor een Musical Award in de categorie Beste mannelijke hoofdrol. Dezelfde nominatie kreeg hij een jaar later voor zijn rol van Scar in de musical ‘The Lion King’. Uiteindelijk kwam hij tot de slotsom dat dit niet echt zijn wereld is en keerde hij terug naar het toneel.
Repetitieproces
Van der Heijden groeide op in Heerlen. Een paar straten verderop woonde Carine Crutzen; ze zaten op dezelfde middelbare school. “Ik kende haar wel, maar niet goed: ze is een paar jaar jonger dan ik. Als je vijftien bent, is een meisje van twaalf natuurlijk niet interessant.” Het heeft lang geduurd voordat ze samen op de planken stonden. “Ja dat was pas vorig seizoen, in ‘De kersentuin’ van Tsjechov. We hebben ook wel eens samen een draaidag gehad voor een tv-serie, maar een repetitieproces voor een toneelstuk is intenser. Dan leer je elkaar beter kennen. In ‘De donkere kamer van Damokles’ werk ik nu met Michel Sluysmans, een jonge acteur. Die komt ook uit Heerlen. En Ger Thijs, de bewerker en regisseur van het stuk, heeft er zijn jeugdjaren doorgebracht. Het is wel grappig hoe die Limburgers elkaar steeds weer tegenkomen en iets in elkaar herkennen. Wat dat betreft zijn ze vergelijkbaar met de Friezen: heel specifiek, met een eigen taal en een aparte identiteit.” Zelf is hij niet in het dialect grootgebracht. “Ik kan het wel een beetje nadoen, maar ik spreek het niet van huis uit, mijn ouders waren import.”
Auditie
Zijn vader overleed op jonge leeftijd; hij is opgevoed door zijn moeder, die dol was op muziek. “Ik had nauwelijks sjoege van toneel, thuis speelde het geen enkele rol. En op de middelbare school was een van de stomste dingen die je kon doen, bij een toneelclubje gaan.” Pas tijdens zijn studie Nederlands in Nijmegen kwam hij er serieus mee in aanraking en nam hij deel aan het studententoneel. Het beviel zo goed, dat hij besloot zich aan te melden bij de Arnhemse Toneelschool. “Ik moest auditie doen met een gedicht van Kurt Tucholsky. Toen ik het las dacht ik: eigenlijk is het een liedje. Ik heb het toen gebracht als smartlap, mezelf begeleidend op gitaar. Dat zorgde voor veel hilariteit bij de mensen die de auditie afnamen.” Maar hij werd wel gekozen, uit een groep van vele honderden kandidaten.
Bekroning
Van der Heijden was na zijn afstuderen verbonden aan diverse gezelschappen. Tegenwoordig werkt hij freelance. “Daardoor kan ik steeds andere keuzes maken en die afwisseling – kleine of grote producties, toneel of muziektheater – vind ik prettig.” Het heeft hem bepaald geen windeieren gelegd. In 2012 kreeg hij de Louis d’Or, de hoogste onderscheiding voor acteurs. Een unicum, want als eerste ontving hij die prijs voor twee rollen: voor zijn vertolking als dokter Astrow in ‘Oom Wanja’ van Tsjechov en als Vincent van Gogh in ‘Vincent en Theo’. De jury prees hem “om de opmerkelijke ontwikkeling in zijn acteurscarrière, die culmineerde in twee indringende, expressieve rollen”. Dit jaar werd hij opnieuw genomineerd voor de Louis d’Or, nu voor zijn spel in ‘MightySociety10’ van regisseur Eric de Vroedt. “Ik ging ervan uit dat ik die prijs niet twee keer achter elkaar zou winnen. Maar als je daar zit, bij de uitreiking, wil je hem toch weer hebben. Natuurlijk is het fijn, die prijs geeft een bepaalde waardering. Verdiend, dat kan je van jezelf nooit zeggen. Maar het is wel een bekroning na al die jaren hard werken.”
regie: Dick Hauser / spel: Hein van der Heijden en Henk Zwart / muziek: Stephan Jankowsky, Anne Zwaga en Ruud Vleij / ghoststarring: Ellen ten Damme.
“Doordat je zo intensief samenwerkt, ontstaat wederzijds respect voor het vak dat je uitoefent.”
De Amsterdam Klezmer Band is een feestband, zij spelen veel op bruiloften en partijen. Zij brengen de stemming tot grote hoogte en zetten de boel op stelten. In de Kleine Komedie is de uitspraak ‘Wij zijn een ruig publiek gewend’ effectief genoeg om de Amsterdammers tot geklap en gejoel te doen uitbarsten. Die laten zich niet tergen.
Nu is er voor enig enthousiasme wel reden. De band paart degelijke composities aan frivole en soms ontroerende improvisaties en brengt die met grote overtuigingskracht. De muziek is goed doordringbaar en is tegelijkertijd stevig gefundeerd in ambacht en techniek, met een overweldigende notenvlugheid en lichtheid. De balkaninvloed is goed hoorbaar, soms denk je aan Kurt Weil. De muzikanten hoeven geen oogcontact te zoeken om hun bedoelingen te communiceren; wat via het oor binnenkomt volstaat.
De Amsterdam Klezmer Band brengt vanavond het programma Benja, de première van een tournee. Het is een theaterconcert met een verhaal en enscenering, onder regie van Dick Hauser. Hoofdpersoon is Benja, die in de Russische stad Odessa, tijdens een Joodse bruiloft wordt geconfronteerd met de nieuwe ambitieuze politiecommissaris. Het verhaal wordt tussen de speciaal gecomponeerde nummers door verteld. Het decor bestaat uit verschillende gedekte tafels met glaswerk, al dan niet volgegoten.
Juist het meest beheerste werk maakt de grootste indruk, met prachtige solo’s op klarinet en trombone, verlopend in een melodieuze mars, die teruggebracht wordt tot verstild spel. De Amsterdam Klezmer Band is gewoon een zeer complete band.
Het Parool, Jan Jasper Tamboer, 07-10-2013
Virtuoze roverssymfonie
Voor het eerst in zijn zestienjarig bestaan gaat de Amsterdam Klezmer Band op toernee met een programma dat speciaal voor het theater is gecomponeerd. Onder de regie van Dick Hauser ontstond de voorstelling ‘Benja, gansters & entertainers’ waarvoor de band zich baseerde op het werk van de Russisch-Joodse schrijver Isaak Babel. Zijn verhalen spelen zich grotendeels af in de Oekraiense havenstad Odessa.
Begen jaren twintig van de vorige eeuw heerste daar in de Joodse wijk Moldovanke de roemruchte gangsterbaas Benja Krik. Tijdens de premiere, zondag in de Amsterdam Kleine Komedie, kwam deze schavuit tot leven op het moment dat hij de bruiloft van zijn zuster viert temidden van een uitgelaten gezelschap. De feestvreugde wordt echter bedreigt door de nieuwe politiecommissaris die het zootje direct zou willen oprollen. Het lot bepaalt anders.
Niet het schamele decor, twee tafels en wat krukken, maar de vermetele slagkracht van de groep trok de bezoeker zondag direct het verhaal in.
Saxofonist Job Chajes en zanger Alec Kopyt verbonden alle composities met flarden tekst uit Babels oorspronkelijke verhaal. De overige leden vulden dit aan met hilarisch muzikaal commentaar.
Ook al is Klezmer van oudsher muziek voor bruiloften en partijen (en keert deze voorstelling terug naar haar oorspronkelijke bedding), vertolkt door de Amsterdam Klezmer Band ontstaat een ongekende klankweelde. Zij rekken de grenzen avontuurlijk op en laveren ondertussen soepeltjes tussen Balkan, jazz, klassiek en hiphop.
De band excelleert - individueel en als team – in stukken die pendelen tussen weemoedige melancholie en uitgelaten vrolijkheid. Daarmee illustreren ze op rake wijze Babels vertelling, die zondag aan waarachtigheid won toen Kopyt halverwege het concert uit zijn rol stapte met de woorden: ‘Ik ben zelf in Odessa geboren uit een familie van slagers, muzikanten en een oom die ook gangster was’. Van deze virtuoze roverssymfonie valt nog tot begin december te genieten.
Trouw, Stan Rijven, 09-10- 2013
BENJA, GANGSTERS & ENTERTAINERS
Al dik vijftien jaar zet de Amsterdam Klezmer Band op binnen- én buitenlandse podia de zaak op stelten. Hun optreden staat overal garant voor een uitzinnig swingend feestje. Maar het werd tijd voor iets anders: het theater lonkte, vanwege de sfeer en het feit dat de mensen gaan zitten om te luisteren – en natuurlijk ook gewoon als nieuwe uitdaging. Maar hoe pak je dat aan? Om te beginnen was er een verhaal nodig dat zich leende om er een complete voorstelling aan op te hangen. Zanger Alec Kopyt vond het in een roman van Isaak Babel over de boevenkoning Benja Krik, die honderd jaar geleden oppermachtig was in Odessa. De bruiloft waarbij Benja zijn lelijke zuster ‘uithuwelijkt’ aan een schone jongeling, is de setting waarin het drama zich afspeelt, want net als in The Godfather (zou Puzo deze verhaallijn hebben gepikt?) gebruikt Benja het feest als dekmantel voor een grote opruimbeurt.
Een toneelstuk is Benja uiteraard niet, al werd in de persoon van Dick Hauser wel een echte regisseur aangetrokken. Hij bewerkte fragmenten uit de roman tot teksten voor de beide vertellers, saxofonist Job Chajes en zanger-percussionist Alec Kopyt. Er valt regelmatig wat te lachen, maar echt hilarisch wordt het als Kopyt naast Chajes staand diens zinnetjes met veel misbaar in het Russisch ‘nadoet’. Behalve voor de toevoeging van attributen als tafels, stoelen, glaswerk en een tweetal reusachtige kooldraadlampen (energieslurpers die niettemin vanwege hun functie als sfeerverlichting gevrijwaard blijven van de EU-ban op gloeilampen) heeft Hauser ook gezorgd voor een wat dynamischer toneelbeeld dan de gebruikelijke halvecirkelopstelling van de band. Volgens de bijsluiter hebben de heren zelfs kostuumadvies tot zich genomen, dus over de visuele kant van de zaak is in elk geval nagedacht.
Dat de muziek voor Benja over het algemeen wat traditioneler klinkt dan de meeste recente studioplaten van de band, ligt gezien het historische karakter van het verhaal voor de hand. Wat niet wegneemt dat er verrassende momenten zijn, zoals het statige en ietwat slepende stuk waarin klarinettist Janfie van Strien uitgebreid mag schitteren. Het repertoire kwam grotendeels tot stand via compositieopdrachten aan bandleden, verstrekt door degenen die met de coördinatie van het project waren belast, een werkwijze die de AKB al enkele jaren volgt. Die aanpak resulteerde wederom in spannende composities, die niet alleen ruimte bieden aan solistische uitstapjes, maar vooral aanleiding vormen tot vlammend en hecht ensemblespel met fraai mengende klankkleuren en geraffineerde details. Wat juist in deze setting duidelijk wordt, is de cruciale rol die al vele jaren wordt vervuld door accordeonist Theo van Tol. Kalm en onverstoorbaar houdt hij zelfs tijdens de heftigste muzikale erupties de zaak met akelige precisie in het gareel.
MixedWorldMusic, Ton Maas, 07-10- 2013
Wie een theaterconcert van Jeroen Zijlstra en zijn band bezoekt, stapt een uniek universum binnen: een wereld van zeelui, vissersboten en het leven op het water. Zijn liedteksten bevatten woorden en strofes die je niet elke dag tegenkomt in het Nederlandse lied: 'De wassende zee', 'naar de einder varen', 'oude netten op de havenkant' en 'hij heeft een ziel, een ziel van zout'. Voor de muziek van Zijlstra is dan ook de term 'maritieme kleinkunstjazz' bedacht, en dat dekt de lading prima.
Niet dat de twintig nieuwe liederen uit Samen in zee zich alleen maar aan de kust of op het water afspelen. Een groot deel van de liedjes staat direct of m van Amsterdam'. Daarmee heeft hij niets te veel gezegd: Van Dam heeft een stem als een klok, die bovendien zeer goed matcht met die van Jeroen Zijlstra.
Van Dams hoogtepunt van de avond is het opzwepende lied ‘Hollandsche paella’, waar ze helemaal in opgaat en het publiek weet mee te nemen. De teksten in Samen in zee zijn tijdloos en de muziek is ingenieus, met melodieën en arrangementen waarin nooit voor de makkelijke weg wordt gekozen. Samen met de drie bandleden, die een keur aan instrumenten bespelen, ontstaat een zeer gevarieerde muzikale avond: ingetogen ballads (‘Haal mij’), uitbundige dranknummers (‘Dobbelsteen’), verhalende liedjes (‘Anna’) en enkele hitgevoelige meezingers (het titelnummer ‘Samen in zee’).
De band Zijlstra is pas in 1999 opgericht, maar sindsdien is er veel gebeurd. Vrijwel elke twee jaar een nieuw studio-album, vele theatertournees en de Annie M.G. Schmidtprijs in 2002 voor het lied Durgerdam slaapt. Met ‘Samen in zee’ wordt een nieuwe parel toegevoegd, in een uniek universum waarin nog steeds veel te ontdekken valt.
De Volkskrant, Joris Henquet, 01-11-2011
Een operabewerking van de populaire roman Gloed van Sándor Márai ligt niet voor de hand. Egon Kracht en Dick Hauser hebben er echter vijf kwartier spannend muziektheater van gemaakt. Subliem uitgevoerd.
Een literaire gebeurtenis van formaat: hoe vaak maken we dat tegenwoordig nog mee? We leven in de wereld van Kluuns, Kochs en Sonja Bakkers; tot pulp vermalen volksvermaak dat we tegenwoordig literatuur noemen. Maar in 1989, een jaar nadat zijn auteur zelfmoord had gepleegd, kwam Gloed onze huizen en levens binnen. Niemand had ooit gehoord van de schrijver noch zijn boek, dat voor het eerst werd uitgebracht in 1942. Maar er was geen ontkomen aan: iedereen ging het lezen.
Gloed ontketende een ware Sándor Márai-hype. De ene na de andere roman van de schrijver werd aan de vergetelheid onttrokken en inmiddels kunnen we ons onze literaire wereld niet meer zonder hem voorstellen.
In Nederland werd Gloed maar liefst tweemaal voor toneel bewerkt en het zou me niet verbazen als er nog ergens een filmscript op stapel ligt. Maar een opera? Naar een boek waarin nagenoeg niets gebeurt?
Het idee kwam van de componist en contrabassist Egon Kracht. ,,De gelaten spanning die het boek bij mij opriep, vond ik spannend om te verwerken in een muziektheatervoorstelling.”
In de zomer van 2010 begon Kracht samen met Dick Hauser met het schrijven van het stuk. Op 17 februari ging het werk, getiteld WAAARDE, in première, in de Philharmonie te Haarlem. Waarom heet de opera WAAARDE? En vanwaar die drie A’s? De naam is afgeleid van het centrale thema van de voorstelling (vriendschap en verraad). De lange AAA-klank komt van aanspreektitels die men wel eens gebruikt (wááárde heer of wááárde vriend). Het zegt ook iets over de waarde die je aan vriendschap hecht. En het trekt uiteraard de aandacht.
In WAAARDE draait het, net als in het boek, om de meest menselijke thema’s uit het leven: vriendschap en liefde, ontrouw en verraad. En om herinneringen die op een bepaald moment een eigen leven gaan leiden.
41 jaar lang is Henrik blijven broeden op de prangende vraag wat er in werkelijkheid is gebeurd tussen hem en Konrad, ooit zijn allerbeste vriend. Heeft Konrad hem willen doden? Wilde hij samen met Henriks vrouw vluchten? Waarom is hij opeens verdwenen, alleen? Na 41 jaar komen hij en Konrad weer bij elkaar. Krijgt Henrik nu eindelijk antwoord op zijn vragen?
De manier waarop Kracht en Hauser het boek voor het toch niet voor de hand liggende medium hebben bewerkt, is ronduit geniaal. Of is subliem een beter woord? De voorstelling is zeer poëtisch, intiem en ontroerend. De toeschouwer is getuige van iets wat misschien niet eens plaatsvindt, want wellicht speelt de ontmoeting zich alleen maar af in het hoofd van de ijlende Henrik? Het is tegelijk ook zeer spannend, want natuurlijk willen wij allemaal weten wat er is gebeurd. Als er al iets gebeurd is.
Wat de bewerking voor toneel ooit de das omdeed, tenminste voor mij, was de statische vertaling van het boek. De heren zaten met hun glaasje cognac bij de open haard. Het werkte niet.
Kracht en Hauser hebben er een eigenzinnige draai aan gegeven. De twee ooit beste vrienden gaan niet alleen met elkaar praten, maar gaan ook een gevecht met elkaar aan. Dat doen zij door met elkaar te schermen, een sport die ze vroeger samen beoefenden. Degens kruisen. Een briljante vondst.
De muziek is sterk. Egon Kracht heeft een zeer weemoedige, blues-achtige partituur gecomponeerd, waarbinnen genoeg ruimte is voor improvisaties. Het is net als het gesprek na 41 jaar: je weet wel waar je naar toe wilt, maar je weet niet of je er komt. En zeker niet wat je onderweg nog tegenkomt.
Kracht zelf bespeelt de contrabas en daar krijgt hij een werkelijk prachtige tegenspel bij van Angelo Verploegen op de trompet.
WAAARDE wordt gezongen door twee zangers/acteurs: Marc Drost (Henrik) en Henk Zwart (Konrad). Ze doen het fantastisch. Met zijn tweeën weten ze de spanning er goed in te houden. Hun stemmen klinken doorleefd en hun hele optreden is zeer overtuigend.
Ik zou u allen met klem willen adviseren om er heen te gaan. Er staat u vijf kwartier spannend muziektheater te wachten!
Zelfs de kus is anders in de Judas Passie
Jeroen van Merwijk en Egon Kracht maken met Judas Passie een mooi alternatief voor Matteus en Johannes.
Het cruciale moment in de Judas Passie is de kus die Jezus aan Judas geeft, een Jezuskus in plaats van een Judaskus, zoals alles in deze passie anders is dan we gewend zijn. Ja, er zijn koortjes en aria's, maar ze worden begeleid door jazzy sluipbassen en grooves met hitpotentie, en bovendien doet deze passie met een lengte van vijf kwartier geen overmatig beroep op het zitvlees.
Het begon allemaal met de ontdekking van het 'Evangelie van Judas', dat in 2005 boven water kwam, een tekst uit de derde eeuw na Christus. Judas, in de Bijbel de aartsverrader, wordt hierin juist afgeschilderd als de nobelste aller discipelen, die Jezus op diens eigen verzoek overlevert aan de Romeinen. In Vlaanderen werd er vorig jaar al een muzikale bewerking van gemaakt, nu heeft ook Nederland zijn alternatief voor de talrijke Mattheussen en Johannessen in de Paastijd.
Librettist Jeroen van Merwijk liet de nogal wazige tekst van de apocriefe evangelist links liggen, en componeerde een eigen tekst met summiere verwijzingen naar Bachs passies. Zwaartepunt van het drieluik is het middendeel, waarin Judas door de Duivel wordt blootgesteld aan drie verzoekingen. Maar hij zwicht pas voor de smeekbede van Jezus.
Componist Egon Kracht, zelf bassist en leider van het negenkoppige orkestje, heeft het elegante libretto voorzien van even inventieve muziek, waarin elementen uit verschillende genres een hybride, maar passende combinatie aangaan, en onder regie van Dick Hauser werd het geheel een semi-concertante uitvoering, met licht en lopen, maar zonder kussen of knielen. Jezus wordt vertolkt door de hemels zingende countertenor Maarten Engeltjes, terwijl de als zanger minder geschoolde Frans van Deursen de rol van Judas speelt, wat ondermeer leidt tot een fraaie tweezang waarin Judas de blues zingt, waar Jezus zoetvloeiende koraalmelodieën tegenover stelt. Het vierkoppig koorensemble heeft ook een heterogene muzikale achtergrond, wat in de ensembles tot een wat schurende samenklank leidt.
Door de niet altijd even geschoolde zang en de vaak raak gevonden stijlpastiches doet Krachts passie menigmaal denken aan de Mattheus Passie die Louis Andriessen dertig jaar geleden componeerde voor toneelgroep Baal. Maar die voorstelling had uitgesproken vileine accenten, terwijl de Judas Passie nu juist een loflied op de liefde en de vriendschap is.
Volkskrant, Frits van der Waa
Zelfs de kus is anders in de Judas Passie Het is vast overdreven om de Judas Passion van Egon Kracht een hoogtepuntje te noemen uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Toch maakt deze passiemuziek over het lijden en sterven van Christus diepe indruk. Een agnosticus zou er haast gelovig van worden. In Zaandam beleefde dit toegankelijke geschreven werk donderdagavond, uitgevoerd door The Troupe, zijn wereldpremière. Kracht bewerkte eerder met succes Bachs Matthäus Passion. Zonder tekst, maar met gebruik van muzikale middelen van deze tijd bleek het barokke werk nauwelijks aan magische kracht te hebben ingeboet. Zelf een Passion schrijven is dan bijna een logische volgend stap. Heel verstandig koos Kracht een andere, verrassende invalshoek: waarom was het juist Judas die Christus verraadde? Ze waren immers boezemvrienden. Cabaretier Jeroen van Merwijk legt dat op verzoek van Kracht uit in een wondermooie poëtische tekst. Christus wil sterven aan het kruis, opdat Hij daarmee de mensheid van zijn zonden kan bevrijden. Daarvoor moet hij eerst worden verraden, een taak voor een echte vertrouweling. Maar begrijpt Judas Hem ook?
* * *
Duivelse keuze
Judas staat voor een duivelse keuze, die voor ieder mens maar al te herkenbaar is. Het publiek werd daar behoorlijk stil van. Niet in de laatste plaats omdat Kracht dit gegeven zonder meer briljant vertaalde in muziek. Om te beginnen laat hij Christus zingen door een klassieke countertenor, een hoge mannenstem. Maarten Engeltjes geeft als de gedroomde vertolker, de mooie lange melodische lijnen precies dat onbegrijpelijk etherische, waarmee Judas zo worstelt. Frans van Deursen is met zijn musicalstem de ideale Judas. Zo aards, zo menselijk. Een koor van vier zangers speelt een reeks van rollen, vooral die van verteller. Regisseur Dick Hauser laat dat alles gebeuren in een licht theatrale enscenering binnen een rustige abstracte achtergrond. Niets leidt af, het spel geeft de tekst slecht een versterkend accent. Het wonder van deze Passion is vooral de muziek. Helemaal van deze tijd, met de magische adem van Bach, Pärt en Messiaen. Waar nodig jankt een gitaar de blues, swingt er wat jazz, lijkt er wat musical te dansen of jubelt de barok. Nooit als nadrukkelijk gezocht effect, maar altijd als dienstbaar accent, dat even vanzelfsprekend verdwijnt als dat het kwam. De toon wordt gezet met een instrumentale inleiding, toonbeeld van de ongebruikelijke, maar veelzeggende orkestratie. Rijk aan nieuwe klankkleuren. Uit de sonore aardse klank van de contrabas doemt de naar de hemel stijgende stem op van de vibrafoon. Een aankondiging vol suspense van de confrontatie tussen Judas en Christus. Kracht maakt dankbaar gebruik van de persoonlijke kwaliteiten die deze musici van zijn orkest in huis hebben. Zoals trompettist Angelo Verploegen. Zijn handvol fluwelen solo’s op de bügel maakt duidelijk dat ook Miles Davis niet voor niets heeft geleefd.
Hans Visser
Knarsende melodie op mooie, persoonlijke tekst
CABARET - Jeroen Zijlstra woont het liefst aan de rand van het wad, of aan de rand van de stad, en geniet het meest van het laatste avondlicht. Hij heeft niets met het veilige midden en de volle zon, want aan de onzekere, bijna anarchistische buitenkant kun je de boel beter verkennen.
In Randgeval, het openingsnummer van zowel de cd (zijn achtste sinds zijn debuut tien jaar geleden) als het gelijknamige theaterconcert Liefde & Dorpsgevoel, legt Jeroen Zijlstra meteen zijn beste kaarten op tafel: mooie persoonlijke tekst, knarsende, maar toch vloeiende melodie en veel ruimte voor zijn swingende pianist Pieter Jan Cramer.
Zijlstra wordt steeds beter. De band rond zanger/trompettist Jeroen Zijlstra heeft van Nederlandse kleinkunst-jazz een interessant genre gemaakt, met eigenlijk maar één deelnemer. De muzikale en tekstuele stemmingswisselingen van melancholie naar romantisch realisme maken Liefde & Dorpsgevoel tot een knap werkstuk. Een enorme domper voor de band is het verlies van saxofonist Rutger Molenkamp, geveld door MS. Gelukkig is hij nog wel componist en zit hij achter het mengpaneel.
Groot en klein komen bij Zijlstra harmonieus samen. Als voormalige zeevisser blijft de hang naar de ruige, weidse zee prominent, maar aan de wal hunkert hij naar het dorp en de kleinschaligheid. Hij beschrijft meesterlijk het jaren zestig-gevoel van de dorpswinkel en Bazooka-kauwgum: ‘Van Bazooka’s kon je roze bellen blazen. Als het mis ging zat de kauwgum in je haar.’
Op een paar kleine muzikale missers na (de saaie Meeuwenblues) is Liefde & Dorpsgevoel een waar genot voor het oor. Een van de hoogtepunten is het begrafenislied Stoet (‘Dood hangt in de bomen/Licht brandt in de kerk’), dat enerzijds een droeve dodenmars is, maar door de frivole accordeon ook een on-calvinistische ode aan het leven. Het is die rust met een kartelrandje die Zijlstra zo opwindend maakt.
Volkskrant, Patrick van den Hanenberg, 24 november 2009
Dochter op jacht naar een losgeslagen vader
JEUGDTHEATER - De titel klinkt gretig, egoïstisch en symptomatisch voor deze gulzige tijd. Ik wil alles! heet de muziektheatervoorstelling (vanaf 8 jaar) die regisseur Dick Hauser maakte op basis van de VPRO-animatie-serie Wensdroom. De jonge actrice Mariëlle Woltring doet daar nog een schepje bovenop door uit volle borst te zingen: ‘Ik wil alles en ik wil het nu! Alles wil ik vandaag.’
Ondertussen steekt ze haar kop uit het opendak van een half doorgesneden Volkswagen Kever. Achter haar trekt op doek een snelweg voorbij (animatie Jola Hesselberth). Soms tollen de beelden van alsmaar draaiende en fietsende mensfiguurtjes als venster op de immer doorbewegende maatschappij.
Dit kind Sanne, een puber, is echter niet de echte gulzigaard in het verhaal. Dat is haar vader. Of beter: was haar vader. Nu heeft hij genoeg van baan en sleur. Hij wil nog wel alles, maar dan alles totaal anders. Daarom loopt hij stiekem weg tijdens een vakantie met zijn dochter. Sanne gaat hem zoeken, samen met de zoon van de campingwinkeleigenaar, die ook wel eens wat spannends wil meemaken. Terwijl zij op jacht gaan naar de losgeslagen vader, wankelt hij voorbij, als weerwolf, als indiaan, als weirdo, zeg maar als veertiger in een midlifecrisis. Bob Fosko speelt hem zoals je van Bob Fosko kunt verwachten: rauw, schreeuwerig, onaangepast en eerlijk. Herkenbaar zijn ook de live gespeelde compositie van Henny Vrienten en Liesbeth Esselink, een mix van nederpop en paddodisco. Tegen het eind stokt het verhaal echter en begint de motor te pruttelen. De hereniging kan emotioneler. Maar grappig en tegendraads is het wel, dit nedertheater in lekker roestig blik.
Volkskrant, Annette Embrechts op 17 november 2009
Van Peter Zegveld
Regie: Mark Whitelaw & Dick Hauser
De onweerstaanbaarheid van een rode knop
Waarvoor is dat knopje? heet de nieuwste voorstelling van theatermaker Peter Zegveld voor publiek vanaf 5 jaar. De titel doet denken aan vingervlugge jochies die geen weerstand kunnen bieden aan knopjes op apparaten. Je verdenkt Zegveld ervan zelf ook zo’n ventje te zijn geweest: in menig voorstelling frunnikt hij aan bizarre machines die pruttelend en ronkend geluid produceren.
In deze productie zijn echter nauwelijks tastbare apparaten te vinden. De hele omgeving waarin Zegveld acteert met actrice Miriam van de Wiel bestaat uit door hem getekende animatiefilmpjes, geprojecteerd op doek. De jongen om wie het draait, is een stripfiguur, zo’n slungel in groen shirt uit de vroegere 7-Up reclame, die van de trap valt en door straten sloft. Daar vindt hij een opvallende Rode Knop, zo’n ding dat vroeger symbool stond voor het ontketenen van de Derde Wereldoorlog.
Met Zegveld en Van de Wiel in allerlei dubbelrollen ontrolt zich een filmisch verhaaltje waarin de knop uitgroeit tot Gezocht Object. Niemand heeft er nog op gedrukt en dat maakt het ding alleen maar Belangrijker.
Zegveld is op dreef als domme, norse politieman. Van de Wiel moet als aangever nog op stoom komen. Maar grappig is wel hoe beiden hun karikaturale personages naadloos invoegen in de tweedimensionale wereld van de animaties, die ze handmatig te voorschijn toveren. Het onderscheid tussen echt en getekend vervaagt volledig. Totdat een druk op de knop tijdens het verrassende slot iedereen weer terugbrengt in de realiteit.
Volkskrant, Annette Embrechts
Met de titel van de voorstelling ‘Waarvoor is dat knopje?’ is de helft van de credits al verdiend. De komische titel wekt nieuwsgierigheid en spreekt tot de kinderverbeelding. Het begin is dus al goed. We hebben er zin in.
Een andere sterke troef is dat de hoofdpersoon van de voorstelling is getekend. Hij is geen acteur van vlees en bloed, maar een animatiejongen die op witte schermen wordt geprojecteerd. Wat een vondst! Wij hebben het nooit eerder gezien. Overigens weten we de naam en leeftijd van de jongen niet, maar die zijn ook niet zo van belang: wat hem gebeurt kan ons allemaal overkomen.
De enige twee acteurs van vlees en bloed in dit stuk voor 5 jaar en ouder zijn Peter Zegveld en Miriam van de Wiel. Beiden hebben dubbelrollen. Zegveld is politieagent, vuilnisman en stoere zeebonk. Van de Wiel is politieagente, de moeder van de jongen, een vrome non en nog veel meer. Peter Zegveld tekende ook voor het script en de tekenfilmpjes. Want niet alleen de hoofdpersoon is getekend, ook een groot deel van het decor is dat. We zien op verplaatsbare witte schermen een drukke rotonde met een fontein in het midden. En we zien een straat met hoge grijze huizen. Op straat ligt een grote rode knop. En die rode knop vormt de rode draad.
De getekende jongen vindt de knop. Door ingenieus gegoochel met het scherm waarop de jongen staat, verdwijnt de echte knop en krijgt hij hem getekend in handen. En dat is het begin van het gedonder. Twee politieagenten zitten hem van nu af aan op de hielen en gooien hem ook daadwerkelijk in het gevang. Waarom is niet helemaal duidelijk. Misschien heeft het iets te maken met zijn ruzie met een oud vrouwtje (de zoveelste sprankelende rol van Van de Wiel. Wat een grappige mimiek heeft zij). Op de flyer van ‘Waarvoor is dat knopje?’ staat ‘Wat zou jij doen als je in de gevangenis zat omdat je niet op een knopje had gedrukt?’, maar dat begrijpen we niet. Die tekst komt niet overeen met wat in de voorstelling gebeurt. Maar goed, het hoe en het waarom van dat gevangenschap laten we in het midden. Bij kindervoorstellingen moet je je sowieso niet te veel bezighouden met oorzaak en gevolg. Dat doet het jonge publiek zelf ook niet. Dat gaat meestal heel makkelijk mee in het voorgeschotelde. En zit niet met vragen als ‘Huh, hoe kan dat nou?’
‘Waarvoor is dat knopje?’ is een drukke voorstelling. In bijna anderhalf uur zien we die projectieschermen met van alles erop, we zien Zegveld en Van de Wiel als veel maffe personages opduiken, we horen swingende muziek door de speakers (is dat Glenn Miller? Fijn voor de ouders en grootouders!) en wordt er op het podium ook nog live gemusiceerd. Een fantastisch lied van de twee agenten over veiligheid, dat wel: “Ga op tijd naar de wc. Ga nooit te ver in spagaat. Neem altijd een pleister meer. Voor je het weet heb je die snee.” Maar al met al is het heel veel en zijn we echt moe als we weer buiten staan. Moe, maar voldaan. Dit was een hele bijzondere voorstelling.
Trouw, Elisabeth Heijkoop
Straffe mars ontaardt in pure chaos
WIJK AAN ZEE
'Waarom kijk jij mij niet aan/Jij dichtgevroren vijver/Moet ik wachten tot 't dooit/Of een wak in je slaan.'
Iedereen die Zie de mannen vallen (1979) heeft gezien, de laatste voorstelling van het legendarische muziektheatercollectief Hauser Orkater, zal direct de dramatisch prettig zeurende melodie te binnen schieten, die bij deze woorden van Alex van Warmerdam horen. Bij dat slome muzikale touwtrekken past perfect de slepende stem van Maarten van Roozendaal. Dat cadeautje werd afgelopen weekeinde uitgedeeld op het Jutterfestival in Wijk aan Zee.
Programmeur (en bassist bij Maarten van Roozendaal) Egon Kracht heeft van dit zomerfestival een interessante jaarlijkse theaterbijeenkomst gemaakt. Niet in de laatste plaats door de speciale voorstellingen die hij met zijn Troupe maakt. Een paar jaar geleden haalde hij de rockmusical Joe's Garage van Frank Zappa uit de kast, en dit jaar bracht hij een ode aan Hauser Orkater. Die twee projecten liggen in elkaars verlengde, want de dwarse muziek van Hauser Orkater, een fusie van de Amsterdamse arty popformatie van Dick Hauser en een groep creatieve geesten die zich had verzameld in het Witte Tejater in IJmuiden, kent veel Zappa-elementen. Soms lopen de composities uit in geweldige bombast, een straffe mars ontaardt in pure chaos, een smartlaptekst als Azijn ('Alles smaakt naar azijn/Leven bezorgt mij pijn/Ik tors de twijfel/Ik wil gelukkig zijn') krijgt een prachtige Jordaanrock-behandeling, en er is altijd ruimte voor een snoeiharde blazer- of gitaarsolo van Milan Kracht of Marcel de Groot.
Ook al zijn de basisritmes van de nummers behoorlijk gelijkmatig, voor het invallen moeten de zangers goed kunnen tellen en een ingebouwd muzikaal anarchisme bezitten. Daarom was het ook om technische redenen een prima idee om een aantal steunpilaren van de oorspronkelijke Hauser Orkater bij de voorstelling te betrekken. En zo stonden naast Van Roozendaal en vast Troupe-lid Frans van Deursen ook Gerard Atema, Chris Bolczek en componist Thijs van der Poll als zangers op het podium.
De Franse krant Le Monde noemde de groep destijds 'elf Buster Keatons op bezoek bij Beckett'. De fysieke kant van die omschrijving ontbrak natuurlijk, maar ook in de liedteksten en de muziek werd die aanduiding in Wijk aan Zee door deze formatie waargemaakt.
Bizar dat de namen van de componisten en tekstdichter Alex van Warmerdam niet een keer werden genoemd en jammer dat de muziek niet in de context van de programma's werd geplaatst, zodat de surrealistische teksten van Van Warmerdam wat meer op hun plaats konden vallen. Dat kan worden goedgemaakt, want dit Hauser Orkater-feest, dit geweldige toetje van het theaterseizoen, schreeuwt natuurlijk om een tournee.
Patrick van den Hanenberg, gepubliceerd op 05 juli 2009
Geschiedenis van Hauser Orkater in boek
Ongekunsteld, doorwrocht en onbegrijpelijk
De enige manier om er greep op te krijgen is erheen gaan en de verwondering haar werk laten doen. Aldus Lutgard Mutsaers in haar biografie van Hauser Orkater. 'Elf herman van veentjes'. Zo zou je de spelers van het roemruchte, vernieuwende muziektheatergezelschap Hauser Orkater nou niet meteen betitelen, maar het was dan ook Herman van Veen die dat deed. Begin jaren zeventig, wanneer de club rond Alex en Marc van Warmerdam en Dick en Rob Hauser nog niet wezenlijk is doorgebroken. Van Veen ziet een optreden, is enthousiast en biedt hun de diensten van zijn Harlekijn Holland BV aan. Kort daarop, schrijft Lutgard Mutsaers in Hauser Orkater, helpt Van Veen met 'hoezen lijmen' voor hun eerste lp.
Dat zijn aardige details waarmee Mutsaers haar geschiedenis van de groep verluchtigt, en waarnaar je – na weer een aantal pagina's gedetailleerd en nauwgezet gepresenteerd onderzoeksresultaat in de vorm van data, namen, plaatsen, (parallelle) ontstaansgeschiedenissen (van andere muziekbandjes en theatergroepjes tot en met het katholicisme in IJmuiden) en krantencitaten – ook echt uitkijkt. Maar dan zijn ze er ook.
'Hauser Orkater was ongekunsteld, toegankelijk en eenvoudig, en tegelijkertijd doorwrocht, afstandelijk en onbegrijpelijk. De enige manier om er feeling mee te krijgen, was er naartoe te gaan en de de verwondering haar werk te laten doen', aldus Mutsaers in de 'Sneak Preview' van de biografie – waarmee ze zelf al aangeeft hoe moeilijk het zal zijn de geest van deze groep in woorden te vangen.
Toch krijg je er wel een aardig beeld van. Van het ontstaan van het Hauser Kamer Orkest, het begin van het Witte Tejater in IJmuiden, en het samengaan van een stel gedreven, eigenwijze, getalenteerde zielen die de meest uiteenlopende kunstvormen niet schuwden. Van hoe mensen erbij kwamen en weer vertrokken, hoe er uiteindelijk toch geen warme samenwerking met Herman van Veen in het vat zat, en hoe de groep andere kunstenaars beïnvloedde, zoals filmmaker Frans Weisz: 'Ik kon er ongelooflijk gelukkig van worden als ik ze zag. Tientallen keren heb ik ze gezien. Door Hauser Orkater ben ik opgehouden met vreselijke dingen te maken als Naakt over de schutting en Heb meelij Jet.' Uiteindelijk ging Weisz een paar maal met Hauser Orkater in zee.
Mutsaers – onder meer co-auteur van Een muziekgeschiedenis der Nederlanden – gaat grondig te werk, op een wijze die doet denken aan die van een documentairemaker: alinea's met feiten en wetenswaardigheden worden afgewisseld met interviews. Niet dat daarin wordt gestotterd of naar woorden wordt gezocht, maar de geciteerde verhalen zijn soms nogal wijdlopig, en vreemd genoeg eenvormig: de verschillende stemmen binnen de groep zoals die naar voren komen uit de beschrijvingen, hoor je niet of nauwelijks terug in de gesprekken.
Een en ander heeft tot gevolg dat de biografie zich niet laat lezen als een opwindend verhaal over een spannende groep mensen, iets dat je toch zou verwachten bij Hauser Orkater. Maar voor de ingewijde die alles nog eens op een rijtje wil zetten en een paar leuke foto's wil zien, is het wel de moeite waard.
Karin Vervaart, gepubliceerd in de Volkskrant 3 juli 2009
Amsterdam, zaterdag 9 mei 2009
Geschiedenis van Hauser Orkater in boek
Cultuurhistorica Lutgard Mutsaers schreef een biografie van muziektheatergroep Hauser Orkater, voorloper van de stichting Orkater. Ze bekeek en beluisterde alles wat van deze volgens haar legendarische theatergroep bewaard is gebleven, sprak met iedereen die er ook maar iets over kon vertellen. Nu is er een degelijk, serieus naslagwerk. Helaas zonder geluid en met bijna geen beeld.
Tussen 1972 tot 1980 veroverde Hauser Orkater Nederland en nog wat stukjes van de wereld met een unieke en ongekend geestige manier van theater maken. Dat zij - de broers Alex, Marc en Vincent van Warmerdam, de broers Rob en Dick Hauser, Thijs van der Poll, Jim van der Woude, Chris Bolczek, Eddy Wahr, Peer Mascini niet te vergeten - nog eens met al hun vondsten en voorstellingen onderwerp zouden worden van wetenschappelijk naslagwerk, is natuurlijk nooit in hun hoofd opgekomen. Ze hadden en hebben wel iets anders aan hun hoofd. De première van de nieuwe film van Alex bijvoorbeeld.
Maar Ludgard Mutsaers (1953), in die jaren zeventig studente theaterwetenschappen en nu een gepromoveerde cultuurhistorica, kijkt daar - en niet alleen beroepshalve - anders tegenaan. Zij was een fan van het eerste uur. Toen zij Hauser Orkater die eerste keer zag in het Amsterdamse Shaffy Theater, was ze flabbergasted. Ze werd er - het klinkt een beetje zweverig, maar ze meent het - 'gelukkig' van. Heerlijk vond ze het, zegt ze. "Zoals van de Beatles mijn oren opengingen, had ik bij Hauser het gevoel: wat heerlijk dat dit bestaat." Dat is uiteindelijk een goede aanleiding om een biografie te schrijven. En natuurlijk: "Eigenlijk werd ik, toen ik van Marc in al die archieven mocht kijken, op dezelfde manier weer een beetje gelukkig."
Mutsaers - als auteur van standaardwerken over eigentijdse muziek(geschiedenis) wordt ze wel de popprofessor genoemd - heeft de biografie wetenschappelijk aangepakt; het boek bevat een enorme hoeveelheid informatie. Ze ploos hier en ze keek daar en dankt de goden voor de bewaardrift van Marc van Warmerdam. Dankzij hem is in het Orkaterpand op de Archangelkade een schat bewaard van papier, foto's en geluidsbandjes, waardoor de hele wordingsgeschiedenis van de volgens haar legendarische theatergroep te reconstrueren was.
Marc van Warmerdam: "Zo weet ik nu dat we drie maanden langer bestaan dan ik altijd dacht. En dat mijn broer hier binnenkwam en zei: 'Heb ik dat gemaakt? Dat wist ik niet meer."
Nu is voor het nageslacht vastgelegd hoe in IJmuiden begin jaren zeventig wat jongens uit de muziek en wat jongens die op hun eigen manier zo eens wat theater wilden maken, elkaar troffen. Wel of niet toevallig allemaal talenten die ook nog eens gezamenlijk de ene voorstelling na de andere in elkaar zetten, waarmee zij Amsterdam en daarna de rest van de wereld veroverden. Precies acht jaar. En toen ging eenieder zijns weegs, op de weg die ze al waren ingeslagen.
Allemaal zijn ze nog steeds aan het verzinnen, componeren, voorstellingen aan het maken, filmen.
De stichting Orkater is nu een soort productiehuis, waarin zijn ondergebracht De Horde en De Mexicaanse Hond, waar in wisselende samenstellingen en juist ook weer met jonge talenten de ene voorstelling of film na de andere wordt gemaakt. "Want eigenlijk zijn de mannen nog hetzelfde," zegt Mutsaers, die alle Orkaterleden uitgebreid heeft gesproken. Ze klinkt tevreden. "Ze hebben zelfs allemaal hun haar nog; alleen zijn de krullen nu grijs."
Die grijze krullen, dat is natuurlijk Marc van Warmerdam. Hij zou er niet over piekeren zelf de stap richting biografie te zetten. "Dat moeten anderen maar doen. Ik ben niet van de jubilea. Ik vind datgene wat we over een jaar doen, belangrijker dan wat we dertig jaar geleden deden. De Van Warmerdammen zijn overigens wat calvinistisch. Dat speelt ook een rol. Maar we hebben ons archief wel beschikbaar gesteld. Daarin zit zo veel, ze werd er helemaal gek van."
In dat archief zit veel meer dan speellijsten, notulen of bonnetjes. Er zijn, zegt Marc van Warmerdam, verschrikkelijk veel foto's. Ook zijn beeld en geluid bewaard. Het grote gemis aan de biografie is dat al die beelden en geluiden ontbreken. Het is een gewoon boek, kleine bladspiegel, met achterin precies achttien pagina's zwartwitfotootjes van voorstellingen en affiches. Materiaal dat je graag groter en in kleur zou willen zien.
Marc van Warmerdam wil dat wel een gemiste kans noemen. "Jammer en eigenlijk ook een beetje raar. Zo veel foto's zijn er, schetsen en een hele berg muziek." Eigenlijk vindt hij het ook een beetje treurig voor de biografe, die anderhalf jaar aan deze biografie heeft gewerkt.
Mutsaers is de eerste om het gemis aan beeld en geluid te erkennen: "Een box met cd's en dvd's erbij, dat zou geweldig zijn geweest. Maar daar was geen geld voor. Maar beeld en geluid verzamelen is ook niet mijn vak, dus ik hoop dat anderen het nu zullen overnemen."
Van Warmerdam noemt de biografie nauwkeurig en compleet. "Maar zo compleet dat dat de leesbaarheid een beetje in de weg staat. Kijk, ikzelf ben ook dol op encyclopedieën, maar ik dacht tijdens het lezen wel eens: wie vindt dit nou leuk? Ook daarom zou een box veel mooier zijn geweest. Dus moet er nu eigenlijk een goede uitgever komen."
Loes de Pauwe, Het Parool
STOERE 9(ZEE)MAN MET HESE STEM ZINGT ALS VADER VOOR ZIJN KIND
Al in zin een van lied een gaat het over varen. Bij Jeroen Zijlstra zijn de zee en de haven nooit ver weg. Tien jaar geleden begon Zijlstra (1958) een carrière in de muziek, na eerst vijftien jaar te hebben gevaren op de vissersvloot van Den Oever. In stevige ballades zingt hij over zijn jeugd, de liefde en het leven op zee. In zijn nieuwe programma Vergezichten brengt hij voornamelijk oude nummers, waarmee hij nu zijn tienjarig jubileum viert en de balans opmaakt. Zijn fans in de zaal neuriën mee, bij melodieuze nummers als De Pont naar Noord wordt zelfs hardop meegezongen. Zijn lied Blues voor Slauerhoff is in alles Jeroen Zijlstra: over een eenzame zeeman die nog lang geen land in zicht heeft en een geliefde een brief schrijft. De melodielijn is melancholisch, de trompet slepend en de tekst slim. ‘Waar ligt de haven?/ Ik zoek kust voor kust naar mijn plek’.
Zijlstra brengt zeemansliederen van nu; van pakkende inhakers tot meer ondoorgrondelijke nummers met jazzy melodieën. Zijn inspiratiebronnen variëren van de dichter Slauerhoff tot zanger John Mayor. Ook als het niet over varen gaat, gebruikt hij woorden uit de zeevaart. Natuurlijk kun je kritiek hebben op de beeldspraak over havens en boten of het gedweep met het zeemansbestaan, maar Zijlstra kan het maken, omdat hij niet vervalt in clichés en hij het zonder opsmuk brengt. Ruwe bolster, blanke pit – dat is Jeroen Zijlstra. Een stoere man met opvallend melancholische nummers, zonder vals sentiment. Hij heeft een markante stem: doorleefd, bijna hees, maar toch ook breekbaar, met soms een hogere uithaal. In zijn kleine liedjes weet hij dankzij die stem een intieme sfeer te creëren, waarbij je je even het kind waant, dat in bed door zijn vader wordt toegezongen. Een goed voorbeeld is het nummer Breek, waarin hij in staccato zinnetjes aanspoort om uit de sleur te breken. Een poëtische tekst, die door herhalende elementen goed aankomt. Zijlstra zingt in beelden. Hij beschrijft details, zoals in zijn evergreen Durgerdam Slaapt waarin hij de sfeer ’s ochtends vroeg in zijn woonplaats treffend typeert. Met het lied won hij in 2002 de Schmidtprijs. Als hij het nummer aan het eind van de voorstelling akoestisch brengt, zingt het publiek net zo zachtjes mee – een bloedmooi moment.
Muzikaal zit het ook nu weer goed, dankzij zijn uitstekende driekoppige band, waarbij toetsenist Pieter Jan Cramer opvalt door zijn veelzijdigheid. Naast blues en ballads brengt Zijlstra in zijn nieuwe voorstelling ook weer jazzy nummers. Als Zijlstra zijn trompet pakt, staat hij zomaar een potje te jammen met zijn muzikanten en verandert de schouwburg van Hoofddorp voor eventjes in het Bimhuis – ook de jazzliefhebber komt aan zijn trekken. De afgelopen tien jaar bouwde Zijlstra gestaag aan een eigen achterban. Hij heeft zijn nieuwe verzamelalbum in eigen beheer uitgeheven. Het is het waard om door een groter publiek te worden beluisterd.
De Volkskrant, 2 februari 2009, Merijn Henfling
In augustus is het Zuiderzeemuseum het decor voor een veelzijdig theaterproject van theatermaker Dick Hauser en Buro Saai. Vier weekenden lang stuit de bezoeker op diverse locaties in het museumpark op verrassende theatrale scènes. Op het oog lijkt er niets aan de hand in het museumpark met zijn historische huisjes omringd door de voormalige Zuiderzee. De voorstelling ‘Er was eens een dorp’ verrast de bezoeker echter met opvallende mensen en opmerkelijke gebeurtenissen. Het gezelschap brengt in het museumpark een voorstelling van vijftien korte en langere scènes, die naast elkaar en na elkaar te zien zijn. Alles is zoals het was en toch is niets wat het lijkt. Bezoek het huisje van een ouder echtpaar en luister naar hun frappante herinneringen, ga langs bij de bakker die in een explosieve dans zijn broden bakt of loop binnen in de school waar een bijzondere lerares haar dictee voorleest.
Sprookjes zijn vaak wreed of bizar, maar als ze mooi verteld worden zijn ze onweerstaanbaar. Andersen, de beroemde sprookjesmeester, is na ruim honderdvijftig jaar nog altijd meeslepend – en wie niet lezen wil moet horen, vonden acteur Faruk Dikici en tekstschrijver Ergun Simsek. Zij maakten een lichtelijk ‘verturkste’ versie van Andersens verhaal De reisgenoot en Ron Ford schreef er muziek bij. Muziek en verteller stuwen de jonge hoofdpersoon Yunus voort op zijn avontuurlijke reis die begint met de vondst van een dode. Dan doemt de ‘reisgenoot’ op, een mysterieuze beschermengel die kracht geeft in hopeloze situaties. Waar de verteller zwijgt verhaalt de muziek verder, aangevuld met poppenspel en diaprojecties. Een spannende mini-opera met gesproken tekst in plaats van zang. Woorden, klanken en beelden volgen Yunus op zijn zoektocht naar de vrouw van zijn dromen.
Verzadigd is het juiste woord voor de gemoedstoestand waarmee je de theaterzaal verlaat als het laatste applaus verstomt. Er is zoveel gebeurd in twee uur, er zijn zoveel zuivere noten gespeeld, zoveel liedjes gezongen die precies gaan over het leven dat zich om je heen afspeelt. Het enige wat je wilt is naar de auto en in stilte naar huis rijden.
‘Muziek maakt blij, ontroert en geeft troost.’ Volgens het programmaboekje is dit de samenvatting van het theater. MaarTroost geeft je geen troost, het gaat over troost. De voorstelling geeft je medeleven en vreugde, doet je verdriet en haalt herinneringen boven. Troost loopt in een schouwspel van emoties als de mooiste draad in een borduurwerk door alle liedjes heen.
De liedjes zijn zelf geschreven, door anderen geschreven of ze zijn vertaald. Regisseur Dick Hauser heeft er in elk geval alles aan gedaan om alleen die liedjes te zoeken die op de een of andere manier een duidelijke link met troost hebben. Toen de speellijst uiteindelijk vijfentwintig perfecte liedjes telde, kon het eigenlijk al niet meer mislukken.
Wat wil je ook met vier muzikanten van groot formaat en een band die tot in de puntjes op elkaar zijn ingespeeld? Het zijn Gerard Maasakkers, Jeroen Zijlstra en Lydia van Dam die hun stembanden laten klapperen en het publiek om de haverklap kippenvel bezorgen. De muziek die uit de boxen schalt, is loepzuiver doordat de band van Egon Kracht harmonisch inspeelt op het stemgeluid van de drie zangers. Het plaatje is helemaal compleet als de gitarist of de saxofonist een solo weggeeft, dan staat ook Gerard Maasakkers te swingen op het podium.
De liedjes gaan over troost. Maar troost is niet zielig, niet altijd. Gerard van Maasakkers roept dan ook verschillende keren “Er is bier genoeg” door zijn microfoon. Want het leven is niet altijd triest. Toch is triest een woord dat bij troost hoort en daarom herhaaldelijk terugkomt in de songteksten. Want als je zusje op jonge leeftijd doodgaat en haar naam vanaf dat moment een verboden woord wordt, dan is dat triest, ook al is er na veertig jaar verzoening en viert het hele gezin uiteindelijk haar vijftigste verjaardag. Of neem de oude man die vol liefde zijn vrouw elke avond op bed moet leggen. Als hij haar helpt op de wc en haar dan een kus op haar voorhoofd geeft, is dat pure liefde, maar ook triest.
Bier genoeg en tijd voor een polonaise, want we houden van friet en mayonaise. Een dergelijke strekking heeft het liedje waarmee de avond begint. Net als je voorbereid bent op een melancholische avond, word je teruggefloten en blijkt er ook ruimte voor feest te zijn. Want feest geeft vreugde en doet je even je verdriet vergeten. Feest vieren is troost ontvangen. Maar na een feest komt de pijn weer terug, want je man is nog steeds dood en je vrouw is er nog steeds vandoor met een ander. Stoppen die dingen dan nooit? Met de woorden van Aimee Mann, een groot singer-songwriter uit Amerika, zingt Lydia van Dam dat ‘het stopt wanneer jij zegt dat het stopt’.
Jeugdig enthousiasme, een prachtig decor en een groot aantal geestige en mooie scènes: dat zijn de ingrediënten van de voorstelling die "De nieuwe kleren van de Keizer" heet, maar niets meer van doen heeft met het originele sprookje.
Hofplein heeft al eerder sprookjes zodanig bewerkt dat er een volledig nieuw verhaal is ontstaan, en ook ditmaal zijn slechts een paar gegevens uit het oorspronkelijke sprookje gebruikt. Bij “De Nieuwe Kleren van de Keizer” pakt deze ingreep goed uit.
Waar het sprookje in één regel is samen te vatten, hebben we daar hier een flinke alinea voor nodig. In het keizerrijk Mooilawi slaat het noodlot toe. In een tsunami verdwijnt het keizerlijk echtpaar en moet de jonge, onzekere Jonathan hen opvolgen. In het buurland Oeimanda ziet de tirannieke koning Kristof hier een kans: een oorlog om zijn buurland te veroveren. In eerste instantie slaagt de roddelkoningin van Mooilawi, Olivia, met wie de koning een relatie heeft, hem hiervan te weerhouden. Ze stelt voor Jonathan via mediaterreur te verdrijven. Als echter Jonathan en de dochter van Kristof, Miranda, verliefd worden, wordt het toch oorlog. Een oorlog, die op een bijzondere manier afloopt, dankzij de creatie van de modekoningen Dolf & Frank.
De voorstelling begint met twee DJ’s op torens van metalen stangen. Het ziet er wat bizar uit, maar de lounge-klanken en rap geven een mooi begin aan de show. Als we vervolgens het keizerlijk paar in een speedboot in een boom zien hangen, en hen vervolgens de nooddienst en hun zoon zien bellen weten we dat het ook met de humor in deze voorstelling wel snor zit. De keizer en keizerin (Stan van der Burght en Niki Witjes) weten wel raad met hun komische momenten. Datzelfde kan worden gezegd van Lowik Pieters (een van de Kuifje-Zorrino’s) en Clara Peeters als de glimmend roze modekoningen Dolf en Frans. Olivia (Sheena Tschai) zingt fantastisch en speelt goed. Ook de stemmen van Miranda (Helene Binder) en dr Spin (Chloe Leenheer) zijn prima. De laatste doet zo een beetje vergeten dat haar rol voor het verhaal er met de (spinnen)haren is bijgesleept. De zwaarste rol is natuurlijk die van Jonathan. Ruben Kuppers moet deze onzekere knul overtuigend neerzetten, zonder dat we het gevoel hebben dat we naar een onzekere speler aan het kijken zijn. Hij slaagt hier in. Zowel bij het medaillemoment, in zijn twijfel en in de romantische scènes is hij heel geloofwaardig. Mooi is ook de scene waarin hij een wapen “leent” van het kleinste soldaatje en het moment waarop het wapen weer terugbelandt bij de oorspronkelijke eigenaar.
In de wintermusicals van Jeugdtheater Hofplein worden de jeugdige spelers meestal aangevuld met één of twee ervaren(er) acteurs. Bij deze voorstelling is dat Jacques Riebeek, die de rol van koning Kristof geweldig speelt. De tiran en de vader, overheersend en onder de plak, het komt er allemaal zeer goed uit. Vooral de scene waarin hij poseert voor zijn triomf-portret en waar fysieke en verbale humor perfect combineren, is geweldig geestig.
Door de voorstelling heen wandelt één instrumentalist: de goed spelende tenorsaxofonist Tom Leeuwenburg. Voor de beleving van de muziek is dit een goede zet; het geeft een stuk extra leven aan de muziekband. Voor het podiumplaatje werkt het soms niet helemaal. Waar hij in het leger van de prins wel op zijn plek is, vraag je je op andere momenten wel af wat hij daar aan het doen is.
De rare dj-torens deden even het ergste vermoeden over het decor, maar dit was onterecht. De voorstelling heeft een prachtig decor, wat met wat schuifwerk en takelwerk de diverse locaties mooi weet weer te geven. De oorlogsscène, is mede door decor en rookeffecten, van een zeldzame schoonheid. Maar bijvoorbeeld ook het bos, zeker als het in de droom van Jonathan voor het eerst verschijnt, is ook een plaatje. Hier is ook de choreografie op zijn best, net als in de scènes met de legers overigens.
Helaas is de afsluiter van het stuk een anticlimax. De rommelige polonaise op carnavalsmuziek is een stevige miskleun. Een elegante voorstelling rond koning en keizer, verdient of iets eleganters, of iets wat meer in de muziekstijl van de rest van de voorstelling past. Het is een smetje op een verder prima musical.
Al met al is de voorstelling zeker geslaagd. Je kunt je wel afvragen de aanbevolen leeftijdsgrens van vier jaar niet wat aan de lage kant is. Het verhaal is niet zo heel eenvoudig en zelfs voor volwassenen hebben even nodig voordat alles op zijn plaats valt. De cast die wij zagen was goed en had er duidelijk zin in. Je mag aannemen dat dat ook voor de ander cast geldt. Deze honderdste Hofpleinproductie is prima in orde.
Schreeuw levensleed van de daken
Liederen die door de ziel snijden. In zijn beroemde liedcyclus 'From Jewish Folk Poetry' (1948) verklankte componist Dmitri Sjostakovitsj op onnavolgbare wijze het leed van het joodse volk.
De tragiek en het bijtende sarcasme zijn in iedere noot voelbaar. Muziek die druipt van het drama. Dat hoorde ook regisseur Dick Hauser, bekend van onder meer muziektheatergezelschappen Hauser Orkater en De Horde. De muziek van Sjostakovitsj raakte een gevoelige snaar bij Hauser. "Het is ook de eerste keer dat ik me door een klassiek muziekstuk laat beïnvloeden."
Na een bezoek aan een concert van Frederike Bruijn, vroeg de zangeres of Hauser niets met deze liederen wilde doen. "Liedkunst als theater, maar dan moest ik wel een andere beleving creëren", bedacht Hauser meteen. "Geen pure dans of liedconcert, maar iets daartussenin, een nieuwe vorm." 'Songs from the Roof' is het resultaat. In de geest van Sjostakovitsj' cyclus heeft de voorstelling een subtiele onderhuidse politieke lading. Hauser laat zijn groep dansers en zangers een theatrale rol vervullen. De dansers verbeelden een groep illegale immigranten op een onbestemd stuk land en de zangers bewaken het gebied en oefenen hun macht uit. "Vanaf moment één rijst er een conflict. Pas aan het eind is er iets van toenadering en harmonie. Net als in de liedcyclus van Sjostakovitsj. Na schrijnende liederen over dood, armoede en verbanning, eindigt de cyclus optimistisch. Er klinkt hoop op verzoening." Het wordt geen theaterconcert van a tot z, benadrukt Hauser. "Maar de liederen moesten hun eigen filmische rustpunten en tijdsbeleving krijgen binnen de voorstelling."
Hauser nam contact op met de Amerikaanse/Nederlandse componist Ron Ford. Eerder had hij succesvol met Ford samengewerkt aan de familievoorstelling 'De Reisgenoot' voor verteller en orkest. Ford kreeg de opdracht om de liedcyclus voor het Rubens strijkkwartet en drie vocalisten te bewerken. Bovendien schreef Ford instrumentale variaties op Sjostakovitsj' werk die als rustpunten in de voorstelling moeten fungeren. "Zo is er meer ruimte voor solistische momenten voor de dansers en musici."
Voor de choreografie nam Hauser contact op met Sassan Saghar Yaghmai. "Een Iraanse choreograaf die gevlucht is voor Ayatollah Khomeini. Hij kan niet meer naar huis, heel heftig", weet Hauser. "Ook de andere deelnemers komen uit probleemgebieden, onder wie een Bosnische danseres en een Russische zangeres. Mensen bij wie je meteen voelt dat er een verhaal achter schuilgaat. Het publiek pikt dit ook op. Het is nergens expliciet, maar de levenstragiek kleeft aan deze voorstelling. Je moet stevig in je schoenen staan wil je dat niet ontroeren."
Door Mark van de Voort
Superhelden schilderen hun huis ook
In de jarenlang volgehouden tv-serie Superman zagen we de held in zijn gewone gedaante geregeld een bijdrage leveren aan het huishouden – maar bijna altijd zette hij er zijn gaven bij in. Wat dat betreft is Gutsman, gecreëerd door Erik Kriek en gespeeld door het nieuwe danstheatergezelschap Link, pas echt een bikkel: hij doet z’n klussen zonder hulp van buitenaf en trekt er zijn pak niet eens bij uit.
Honderd procent nieuw is het idee vast niet, maar het is ontzettend spannend om op het podium het ontstaan van een echte superheld te zien. Bijna letterlijk, want Erik Kriek, de schepper van Gutsman en andere karakters speelt een grote rol in dit danstheaterstuk. Sterker: bijna het hele concept is uit zijn pen gevloeid, want in zijn comics spelen net als op de vloer naast Gutsman ook katmeisje Tigra en hijzelf mee. Een belangrijk verschil: zijn strips zijn expliciet voor grote mensen, het theaterstuk is een flink stuk minder pikant en drankrijk want gemaakt voor kinderen vanaf tien jaar. Dat is een ruime grens, want kids vanaf een jaar of zes – en hun ouders – die niet schrikken van een beetje gekleed gerollebol en wat nepdronken ongein kunnen er ook prima naartoe. En dat is een aanrader, want in tegenstelling tot alle snelle, drukke, gewelddadige tekenfilms van nu is ‘Gutsman’ een prettige, rustig opgebouwde en prettig dansante vertelling over een gewone superheld, het meisje dat op zijn verzoek wordt gecreëerd en de belevenissen in en rond hun relatie. Geen bommen en granaten, geen grote mannen die de wereldheerschappij willen overnemen, geen bedreigers van de supermacht van de held – althans, zo lijkt het. De avonturen in Gutsman de voorstelling hebben een dagelijks karakter. Hoogstzelden zagen we superhelden immers een drankje drinken op het terras, het huis schilderen, laat staan stofzuigen of eten koken. De stoere gemaskerde draait er echter zijn hand niet voor om. Het huwelijksgeluk van de in strak pak gestoken Gutsman en zijn kattige meisje Tigra wordt al snel verstoord. Niet omdat zij zich zichtbaar ergert aan zijn onhandigheid, want dat hoort nu eenmaal bij een relatie. Maar zijn enorm late, dronken thuiskomst van een avondje stappen met zijn schepper waardeert ze niet bijzonder. Dat is de oppervlakkige reden. Het lijkt er namelijk vooral op dat Erik Kriek een beetje spijt heeft dat hij de twee ooit aan elkaar heeft gekoppeld. Gewapend met zijn eigen variant op Supermans kryptonite gaat hij de strijd met zijn heldhaftige, getekende alter ego aan, nadat de twee elkaar al op de raarste plaatsen naar het leven hebben gestaan. Tot verdriet van Tigra, die haar mannetje na de ruzie toch eigenlijk wel graag weer terugwil. Natuurlijk kent dit verhaal, zoals het hoort in de comic, een happy end.
De comicsfiguren wordt op een aangename, levendige manier leven ingeblazen door choreograaf/danser Job Cornelissen en medechoreograaf/danseres Francisca Rijken onder regie van Dick Hauser. De hele voorstelling speelt zich af tegen een eenvoudige maar effectieve getekende achtergrond die wisselt zoals in een tekenfilm; het extra effect van de profielwerking van het bijzondere filmdoek is optimaal gebruikt en werkt prachtig. De terugkerende bluegrassmuziek en bijbehorende grappige dansjes geven het geheel een extra komische noot.
Heel benieuwd of er net zoals in stripboekland nog een, twee, eindeloos veel delen zullen volgen. Een sequel is op basis van het eerste deel zeker gerechtvaardigd.
Door Moon Saris
Juryrapport winnaars John Kraaykamp Muscal Award:
Vernieuwend, muzikaal geweldig, sprankelend, actueel en vitaal. Dat geldt voor De Jantjes waarvan Dick Hauser iets van nu heeft gemaakt. Het is alsof hij authentiek volksdrama anno 1920 heeft afgestoft. Iets dat uit een andere tijd stamt is als een stuk sociale historie naar het heden vertaald, zodat het er uitziet en overkomt als een moderne, heftig aansprekende musical die ook voor jongeren betekenis heeft.
In beide gevallen, bij Eenens en Hauser, is sprake van groot vakmanschap dat garant staat voor een intense beleving van het fenomeen musical op topniveau.
Nieuwe 'Jantjes' is een sprankelende voorstelling
Regisseur Dick Hauser tornt niet aan de basis. Waarom ook, de magie van 'De Jantjes' werkt nog steeds. Volkshumor, lekker veel en inventief schelden, sentimentele liedjes zonder een grammetje kitsch. Uitstekend materiaal, met een degelijk, realistisch decor en een nieuwe en verrassende cast. Naast oudgediende Carry Tefsen staan musicalnieuwelingen als Dennis Overeem en Birgit Schuurmans. Het duo blijkt een schot in de roos. Overeem is een heel leuke Schele Manus, die met zijn slome intonatie simpele wijsheden heel grappig kan brengen. Birgit Schuurman is geweldig als innemende Toffe Jans, met een lekkere zangstem en sprankelend spel. Alleen het plat Amsterdams gaat wat moeizaam. Dat geldt trouwens voor meer spelers. Ook dat schreeuwen is niet echt nodig.
Een van de belangrijkste kwaliteitsexamens van de voorstelling is 'Omdat ik zoveel van je hou', het muzikale toneelstukje dat vooral bekend is van Heintje Davids en Sylvain Poons. Ook hier een vlag en een wimpel voor Bob Fosko en Sylvia Alberts. Deze nieuwe ronde van 'De Jantjes' levert een onbekommerde en zalige avond op.
Door Patrick van den Hanenberg, de Volkskrant, 21 december 2004
Authentieke Jantjes spelen op stormkracht
Zeven jaar geleden bracht het theaterbedrijf van Joop van den Ende het aloude toneelstuk met zang en dans ook al uit, toen in een bewerking van Ivo de Wijs, geregisseerd door Eddy Habbema. Het resultaat was een hybride voorstelling, die ergens halverwege tussen een psychologisch drama en smeuïg volkstoneel bleef hangen. Habbema maakte geen keuze. Dick Hauser, die een nieuwe bewerking van Allard Blom regisseert, heeft wel gekozen. Aan alles is te zien dat hij de authentieke eenvoud wilde terugbrengen, en ook alle ruimte wilde geven aan de schrille misstanden die Bouber schilderde. Een lach en een traan, dat moest het worden. Het oorspronkelijke script, dat inmiddels nogal gammel was geworden, is wat strakker getrokken, terwijl aan de legendarische liedjes van Louis Davids en Margie Morris nieuwe nummers zijn toegevoegd. Niet alleen de twee extra hits uit de verfilming van 1934 ('Draaien' en 'Omdat ik zoveel van je hou'), maar ook veel latere successen van Lou Bandy ('Als ik in mijn klamboe lig te dromen'), Wim Sonneveld ('Poen') en Johnny Jordaan ('Jordaanwals'). Op het eerste gezicht nogal onnodig, maar een echte stijlbreuk kan ik die wonderlijke toevoegingen niet vinden - ze zijn redelijk passend gemaakt. En ook een nieuw liedje van Thé Lau over vriendschap heeft genoeg charme om probleemloos in de handeling te worden opgenomen.
Storender is de nadrukkelijke manier waarop Hauser de melodramatische kanten van 'De Jantjes' laat zien. In veel scènes wordt op stormkracht geacteerd, om maar niets van de emoties verloren te laten gaan. Dat leidt enerzijds tot een vurige vechtpartij, die niets aan geloofwaardigheid te wensen overlaat, maar ook tot te veel overdadig geheven armen, geschreeuw en getier. Bovendien zet één van de Jantjes (Dennis Overeem) continu een zeurderig stemmetje op, dat veel hilariteit oogstte, maar de rol tot een raar typetje maakt. Beter vind ik Hugo Metsers III en István Hitzelberger als zijn twee kompanen - echte jongens met een braniekraag, die door de meiden zo graag gezien worden. En van die meiden valt vooral Birgit Schuurman op, die haar baaien rok met flair draagt en zich gretig vastbijt in haar liedjes. In een kleinere rol dan voorheen doet ook Carry Tefsen mee. Sylvia Albers doet als Na Druppel trouwens niet voor haar onder. Naast haar houdt Bob Fosko zich behoorlijk staande als De Mop. Begeleid door een vijfmansorkestje komt deze nieuwe versie van 'De Jantjes' dichterbij het origineel dan de vorige. En dat maakt veel goed.
Door Henk van Gelder, NRC Handelsblad, 20 december 2004
Kostbare liedjesschat als cultuurgoed
Oog in oog met het felle realisme van een adembenemend gevecht en knap gedoseerd, broeierig sentiment heeft Dick Hauser met zijn team versie nummer zoveel van 'De Jantjes' neergezet met een klaterend ensemble in een fraai decor. Nieuw, maar met waardering voor een brok Hollands cultuurgoed. Beken het maar, wat hebben we een prachtige, kostbare liedjesschat. Die deunen doen het nog steeds goed: de premièrezaal ging juichend door de knieën. Hetgeen ook te maken heeft met de visie ze er in straf tempo door te jagen. Bovendien, vrijwel zonder uitzondering wordt er eindelijk weer eens goed gezongen en aanvaardbaar geacteerd tegen de achtergrond van een lekker orkestje. 'De Jantjes' verzamelt een mix van vrolijkheid en droefenis. Sylvia Alberts en Carry Tefsen weten zich gesteund door een verrassende stoet jonge mensen uit verschillende disciplines. Met als uitblinkers Wieneke Remmers, Birgit Schuurman en Hugo Metsers, István Hitzelberger en Dennis Overeem als de Jantjes. Mis het niet!
Door Jacques d'Ancona, Dagblad van het Noorden, 21 december
De belangstelling voor de nationale en internationale geschiedenis ondergaat vandaag de dag een soort gewetensrevival. Niet alleen in populaire televisieprogramma’s, maar ook in de literatuur (Geert Mak), de journalistiek én in het theater. De voorstelling Raspoetin (met klemtoon op de middenklinkers) door theatergroep La Kei Producties is daarvan een sprekend voorbeeld.
Nu is de figuur van Raspoetin (bijnaam van Grigori Jefimovitsj Novitsj 1871-1916) dramatisch ook wel een heel interessant personage. Hij was vooral een imponerende Russische ‘monnik’ die over een heilzame genezingskracht beschikte. Die historische betekenis ligt ’m vooral in het feit dat hij de kroonopvolger van de Russische tsaar Nicolaas II genas van diens hemofilie, althans hij kon het ziekteproces stabiliseren.
Naast deze mystieke Jomanda-achtige gaven, kreeg hij vooral door de vrouw van de tsaar, Alexandra Fjodorovna Romanova, grote invloed op de politiek van Rusland met alle gevolgen van dien. En dan hebben we het nog niet eens over zijn seksuele escapades met al het vrouwelijke schoon die roemruchtig waren.
La Kei Producties toont ons een prachtige voorstelling waarin de geschiedenis van deze man in een notendop wordt gepresenteerd. Leuk, snel, humoristisch en in een Russisch getinte sfeer die ze heel goed weten neer te zetten in relatief korte tijd. De vijf mannen komen op in dat typisch Russische volle koorgezang en weten de toeschouwer vanaf dat eerste moment te boeien. Geen moment verlies je het spel, noch de inhoud uit het hoog. De gepaste afwisseling van zang, spel en de anekdotiek is hiervoor verantwoordelijk.
Maar die afwisseling is wel té gepast, heel erg gedoceerd en geregisseerd waardoor het geheel voorspelbaar wordt en dus vlak. De voorstelling begint met de moord op Raspoetin, drijvend onder het ijs met de commentariërende bespiegeling: ,,Daar drijft God’’. Dan voel je al enigszins aankomen dat er een retrospectief op komst is. Een historische verantwoord retrospectief weliswaar waarin ze chronologisch de heroïsche en toch ook mystieke geschiedenis van Raspoetin vertellen. Fantastische (ver)beeldend, dat wel. Met grote passie en genegenheid voor het spel en het verhaal.
Welke achterliggende betekenis La Kei Producties wil geven aan de voorstelling Raspoetin is niet geheel duidelijk. Zeker niet als je de actualiteit daarbij in ogenschouw neemt. Als de mannen aan het begin tijdens de beraming van de moord op Raspoetin schreeuwen: ,,Wij gaan ons vaderland verlossen van een man die een kwelling is voor iedereen’’, dan ontkom je niet aan bepaalde uitspraken die nu opgeld doen.
Maar of La Kei Producties zo’n actualiteitsintentie ook met deze productie heeft is nog maar de vraag. Daarvoor is het stuk eigenlijk ook wat te compact, en de romantische aandacht voor de Internationale - wat een prachtig lied is dat toch! - en de Revolutie met rode vaandels en geweld te pregnant aanwezig.
Aan het eind komen de verschillende persoonlijkheden van Raspoetin bijeen. Die pay-off geeft La Kei Producties de voorstelling dan nog wel mee: de catwalk van Raspoetin als spiegel van eigen persoonlijkheden.
Door La Kei producties
Plaats: De Harmonie, Leeuwarden
Het verhaal is simpel. De voorstelling speelt zich af in Club Tangorilla, een nachtclub. 5 individuen op zoek naar geluk, elkaar en zichzelf. Met weinig woorden maken de spelers van Lieber Gorilla alles meer dan duidelijk, waarbij er toch plaats blijft voor eigen interpretatie van het stuk.
Goed punt aan de voorstelling is het toneelbeeld. Flessen, sigaretten, een pisbak, de bar, en de belichting, geen 5 sterrenhotel, en ook geen eliteclub, maar een levensechte louche tent.
De vijf personages zijn allen heel verschillend. Ze hebben echter duidelijk een ding gemeen: ze zijn doodongelukkig. Claudia Hauri overtuigd in haar rol als een vrouw die slecht ter been en verlaten, maar wel degelijk dominant is. Momenten van kwetsbaarheid en kracht wisselen elkaar op precies de goede momenten af, ondanks haar gebreken heeft de rest ontzag voor haar. Claudia zet haar personage neer vol allure en stijl. Een stuk minder krachtig maar prachtig breekbaar is de personage van Dagmar Chittka. Zij stort zich wanhopig in de armen van de aanwezige mannen, maar zonder het ware geluk te vinden. Vooral in de fysieke scènes is zij sterk door middel van de soepele, maar toch beheerste bewegingen. Dan de mannen, wederom 3 verschillende karakters, om maar te beginnen met de personage van Reinier Schimmel, die gelijk aan het begin van het stuk de aandacht trekt door zijn tango-duet met... een stoel. Prachtige bewegingen en mooie gezichtsuitdrukkingen. Van zijn gezicht zijn hele verhalen te lezen, die je als bezoeker uiteraard zelf moet vormen, want Lieber Gorilla is "nadenktheater"! Vooral tijdens de Entr'acte, een gedeelte van de voorstelling waarbij er van kleding wordt gewisseld straalt hij slechts in een slip - met bloem - en een haarklem in zijn haar een soort engelachtige man uit, op zoek, maar zonder iets te vinden. Dan is er zijn louche pooierachtige tegenpool in Andreas Scharfenberg, die de dames met heel iets anders probeert te imponeren dan met zijn liefdesdans of zorgzaamheid. Het onvervalste macho imago wordt nog eens extra benadrukt door zijn kleding en houding. Als laatste, maar zeker niet als minste is er dan Luc van Esch, die als gladde jongen begint, maar eindigt als een weerbare aangetaste man. Aan het eind van de voorstelling, als door een door Chittka gezongen lied klinkt, is het behalve aan het publiek dan ook eindelijk duidelijk aan de karakters op het podium: ze zijn verloren, alleen, en zullen het geluk waarschijnlijk niet meer vinden. Ze zijn helemaal op zichzelf aangewezen. Op dat moment kleedt van Esch zich uit en blijft naakt tot het einde van de voorstelling. Hij eindigt als een verlangende Jezusfiguur met een zekere trots over zich, alsof hij zijn ellende niet wil toegeven. Herkenbaarheid van onze eigen ellende alom. Maar vooral van de verdringing van onze ellende. Een gedeelte van het stuk bevat zelfs een ware 'underground party' inclusief pillen, drank en een uitgespeelde roes. De scène over het algemeen duurt iets te lang, maar het idee erachter is mooi. Wellicht dat hij in een kortere versie meer indruk zal maken. Maar vooral het sombere gedeelte erna is prachtig, waarin zowel Schimmel maar vooral van Esch tonen dat ze wel degelijk gevoel in hun donder hebben door middel van een voor hen zo te zien zwaar vallend gesprek, namelijk over een verdwenen liefde. Weer ruimte voor interpretaties en emoties. En als je uit de voorstelling komt, komt opeens naar voren wat de kracht van Tangorilla is. Want je voelt je niet wanhopig, je bent niet verdrietig om wat je hebt gezien. Je hebt namelijk ook gelachen tijdens de voorstelling. Het moet allemaal nog even bezinken en op de terugweg ga je erover nadenken. En dat is nou precies wat een goede voorstelling moet doen. Kortom: Tangorilla is op een paar kleine schoonheidsfoutjes na prachtig om naar te kijken, zoals het echte leven: leuk en pijnlijk tegelijk.
Adriaan Luteijn en Peggy Olislaegers hebben in "Rillandia" weinig woorden nodig voor hun verhaal. Spreken doen ze vrijwel alleen in hun rol van instructeur – in Zeeuws en Brabants dialect. Lichaamstaal en beweging vertellen de rest. Verliefd zijn op elkaar, zowel de jonge Adriaan en Peggy als hun volwassen tegenspelers. Zelden een mooier liefdesduet gezien als dat tussen de kleine Nol en de lange, broodmagere juffrouw Ankie die zich bijkans halveert om haar hoofd met een dwaze glimlach tegen de schouder van haar partner te kunnen vlijen. Even fraai verbeeldt het parcours dat de jongelui tijdens het muziekconcours afleggen de omtrekkende bewegingen waarmee zij schuchter toenadering zoeken.
Een schalkse oogopslag, een goed getimede grijns en welgekozen glitterschoenen: het zijn de vele details die deze jeugdtheatervoorstelling tot een feest maken. De symmetrie in het verhaal wordt bovendien mooi gespiegeld in het kleurrijke, decor van Keso Dekker, die tevens zorgde voor de fantasievolle uitdossing van de vier personages.
Door Willemijn in 't Veld
Hoewel De Horde een overblijfsel van de theatervernieuwende groep Hauser Orkater, duidelijk als collectief optreedt mag Jim van der Woude toch wel als centrale speler worden gezien. Vrijdag was dat in De Kolk in Assen goed te zien.
De grootste inbreng in de groep heeft Van der Woude. Hij maakt de schitterende en zeer inventieve decors, hij speelt en hij is de onbetwiste meester in de mime. Hij is één van de allergrootsten als het gaat om de taal van het lichaam.
De Horde speelde het nieuwe stuk De Wangedachte, een stuk dat, zoals verwacht, aan alle kanten het traditionele toneel vermorzeld. Tijd, ruimte, beeld en idee worden door De Horde zo anders vorm gegeven dat je bijna verwacht dat de groep tot een echte stroming behoort. Heel duidelijk laat de groep zien waarmee ze bezig is als twee mannen een vechtpartij beginnen in een perspectivisch gebouwd kamertje. Dat kamertje komt regelrecht uit de jaren vijftig, de oubolligheid en de allesoverheersende saaiheid druipen langs de wanden. De kleine ruimte is niet dieper dan drie meter en is gebouwd zoals men volgens de wetten van het perspectief betekent: wanden, de vloer en het plafond lopen schuin naar elkaar toe. De vechtpartij, vertraagd gespeeld, krijgt dan iets vervreemdends. Twee volwassen mannen in een veel te klein, schuin kamertje slaan elkaar uiterst traag op het gezicht. Alles wat de wetten van het theater ooit voorschreven wordt ongebruikt gelaten. Het beeld is vervormd, het idee houdt zijn kracht.
Jim van der Woude in de vechtscène is natuurlijk zeer sterk. Zijn speciale mimiek, zijn ongewone lichaamsbeheersing garanderen een beeld dat niet na te spelen is. Eigenlijk zou dit soort toneel in Nederland, als we meer acteurs van het kaliber van Jim van der Woude hadden, meer te zien moeten zijn. En eigenlijk zou absurdistisch, humoristisch en tegelijk serieus toneel als van De Horde ook meer te zien moeten zijn. Dat soort vernieuwend werk levert verrassende perspectieven op een rijke toekomst op.
Drentse en Asser Courant, 6 april 1981
Hauser Orkater is weer grandioos, nee – eigenlijk beter dan ooit. De groepsleden rond de beide broers Hauser, die sinds een jaar of vijf geraffineerde orkatershows opbouwen uit de bestanddelen orkest en theater, zijn terug in Shaffy.
Het nieuwe programma “Zie de mannen vallen” draait al twee weken, maar werd gisteren rijp geacht voor confrontatie met de pers en daarbij bleek opnieuw hoe jammer het is dat deze unieke vorm van theatermaken in gewoon nuchter Nederlands moet worden geschreven.
Eigenlijk zou je een nieuwe taal, opgebouwd uit absurde klanken en enthousiaste kreten, moeten uitvinden om toepasselijk te kunnen praten over de bizarre indrukken die je overhoudt aan deze vijfde productie van Hauser Orkater (na “Op avontuur”, “Famous Artists”, “ ’t Vermoeden”, en “Entree Brussels”).
“Zie de mannen vallen” is volgens hetzelfde stramien opgezet als “ ’t Vermoeden”. Acteur Peer Mascini speelt met één kornuit uit het orkest een serie wonderlijke scènes die een ingrijpbaar verband in de anderhalf durende show suggereren.
Maar daaromheen groeperen zich de andere ingrediënten: min of meer losse, acrobatisch-mimische theaternummers, waarin vooral Jim van der Woude opvalt, de muzikale nummers van de orkestleden, en fantastische clownerieën met onzinnige rekwisieten als een reuze kinderstep, een uit elkaar vallende saxofoon, en onbeschrijfbare rollende, rijdende en bewegende zetstukken.
Dit alles speelt zich af binnen een visueel heel geslaagde vaste decorbouw die lijkt op een stierenvechterarena en een circuspiste, vol schuine loopvlakken, verborgen valkuilen en ingebouwde trucs.
Het geheel heeft nu de allure van professionele aanpak en het onhandige-studentikoze is vrijwel verdwenen. De presentatie is gepolijster, zonder dat dit enige gladde routine inhoudt: daarvoor is de opvoering te vol van creatieve ideeën en volmaakt originele vondsten.
Vooral wat Jim van der Woude doet in zijn strijd met een lang stuk elastiek, of met zijn voeten door absurde loopplanken, of ingewikkeld in meterslange metalen springveren, of balancerend met, in, onder en aan twee houten raamwerken is zo fantastisch dat hij daarmee alleen al jarenlang de wereld zou kunnen afreizen: een reeks unieke prestaties in showbusiness.
Als geheel biedt “Zie de mannen vallen” een wonderlijke versmelting van slapsticks en poëzie die de zeldzame indruk nalaat dat je in een andere wereld gekeken hebt, waar alles mogelijk lijkt en waar waanzin en diepzinnigheid samenvallen.
Door H. van den Bergh, Het Parool, 23 mei 1979
1977
HAUSER ORKATER 'HET VERMOEDEN'
Peer Mascini, een prima acteur met een welluide stem die sinds kort deel uitmaakt van theatergroep Hauser Orkater, zoals bekend een samenbundeling van orkest en theater, mag de nieuwe productie van een inleidend woord voorzien. Hij noemt ’t Vermoeden een mengeling van vloed en overvloed, zacht en bros van aard. Een programma dat niet over de onderdrukte arbeider gaat – onderwerp van veel groepen die muziek en theater samenvoegen – omdat er ook nog wel andere onderwerpen te bedenken zijn.
Hij legt uit dat de titel op de moede aanwezigheid van een vrouw duidt – en er is dan ook regelmatig een man een vrouw toebehorend lijkend been in beeld – en rondt zijn praatje niet af, daarmee direct het kader aangevend waarbinnen de voorstelling zich verder zal afspelen. In de hecht doortimerende anderhalf uur durende voorstelling krijgen de nummers zelden een pakkend slot of een afronding maar wordt het ene nummer gewoon weggespeeld door het volgende, waardoor verwachtingspatronen van het publiek stevig doorbroken worden en het geheel een absurdistisch karakter krijgt. Absurdisme is trouwens sterk aanwezig in ’t Vermoeden, niet alleen in de malle dialoog direct na de start van het programma naar ook in het bijna bloot voorgedragen gedicht of in die waanzinnige groepsdans, die een persiflage op bloemenwalsen moet zijn.
Persiflage is overigens een andere steunpilaar van deze productie. Het feit dat de declamator hier nauwelijks iets aan heeft is persiflage op de fraai uitgedoste voordrachtskunstenaars en de hoogst vermakelijke striptease kan zonder meer opgevat worden als satirisch antwoord op de activiteiten van Hannah de Leeuwe bij pianist Polo de Haas.
Die striptease van een travestiet – in dit geval Jim van der Woude – is er een van klasse en ongetwijfeld een hoogtepunt uit de voorstelling die ik zag. Van der Woude was die avond waarop een momentopname gegeven werd van een programma dat al min of meer een vaste vorm heeft gekregen, uitstekend op dreef. Zijn solodans die alle malle bewegingen van danseressen in TopPop bevat en dat soort dansen voor altijd belachelijk maakt moet hoog geprezen worden. Dwaasheid en absurdisme gaan hier hand in hand en zulke momenten maken het programma, dat wat wisselend van niveau is, toch wel tot een belevenis. De groep heeft duidelijk aan kwaliteit gewonnen in vergelijking met de vorige productie en lijkt met het abstracte theater dat het nu biedt beter uit de voeten te kunnen dan met het invullen van vaste thema’s, zoals dat bij Famous Artists gebeurde.
Zwak blijven sommige teksten, voornamelijk inde twee liedjes die over het strand gaan en waarbij in het eerste een vader wordt ingegraven, later overreden en tenslotte overspeeld door de vloed, terwijl in het andere een vader met kind de golven inloopt, later gevolgd door een wanhopige moeder van het kind en de schoonouders van de man. Zanger Chris Bolczek kan in deze liedjes ook niet op tegen het door de goed spelende band ontwikkelde muzikale geweld.
Het programma krijgt letterlijk een daverend slot als de hele groep met trommels een knap stuk slagwerken weggeeft, hoewel dit nummer naar mijn idee een kracht kan winnen als het korter wordt. Misschien is het dat op andere avonden wel want, zoals gezegd, de voorstellingen hebben een sterk wisselend karakter en groeien samen met het publiek, dat op deze avond in ieder geval zeer enthousiast was.
Door Ruud Gortzak, De Volkskrant, 5 mei 1977
1977
INTERVIEW MET DICK HAUSER
Afgelopen maand is Hauser Orkater met haar nieuwe productie Het Vermoeden van start gegaan. Anders dan in de vorige producties is er geen vast thema, maar is het een meer abstract geheel, dat het vooral van de sfeer moet hebben. Teksten, muziek, decor en toneelbeeld en regie hebben wederom door een democratisch samenspel binnen de groep vorm gekregen. Opvallend voor een groep als Hauser Orkater is, dat het een heel hechte groep is. Als 15 mensen gedurende vier jaar bijna dagelijks met elkaar omgaan, daarbinnen drie theaterproducties van de grond krijgen met een minimum aan financiële middelen en nog steeds niet van plan zijn uit elkaar te gaan, dan moet er iets bijzonders aan de hand zijn. Ineke Austen had hierover met Dick Hauser, bassist van de groep, het volgende gesprek:
Ineke: Wat is er voor bijzonders met jullie aan de hand?
Dick: Eigenlijk niks; het komt meer door een natuurlijk groei van verregaande democratie binnen de groep. Niemand van ons was kennelijk dominerend genoeg om zich als leider op te werpen en dat blijkt ook helemaal niet nodig te zijn. Alle besluiten die we nemen hebben onze gezamenlijk instemming, soms duurt dat erg lang, maar meestal komen we er vrij snel uit.
Ineke: Toen jullie een beetje "in the picture" begonnen te komen, werd jullie aangeraden er een regisseur bij te betrekken. Waarom hebben jullie dat niet gedaan?
Dick: We hebben er wel aan gedacht. Peter Oosthoek van Centrum bijvoorbeeld, was heel enthousiast nadat hij een voorstelling van ons gezien had. Hij wilde wel met ons werken. Maar na de voorstelling voor de derde keer gezien te hebben, zag hij er toch vanaf. Hij zag drie verschillende voorstellingen en begreep dat dat juist de kracht was, door zijn inbreng in de regie zou dat zeker verdwijnen – het flexibele van een voorstelling, wat voor ons het allerbelangrijkste is. Verder zouden we niemand weten die ons zou kunnen regisseren, niet omdat we eigenwijs zijn of naast onze schoenen lopen, maar omdat het niet past bij onze manier van werken.
Ineke: De confrontatie met het publiek. De kritieken van "Famous Artists" waren matig. Toch was het publiek laaiend enthousiast. Vooral de laatste serie voorstellingen was van een niveau zoals ik zelden gezien heb. Hebben de critici nou gelijk of het publiek en ik.
Dick: Jullie hebben allebei gelijk. De critici hebben een beetje gelijk omdat we, toen we met "Famous Artists" in première gingen, nog niet de losheid hadden, die in latere voorstellingen wel aanwezig was. Maar critici zijn zo absoluut, ze zijn niet op onze manier van werken ingesteld en hebben het vermogen niet (en willen dat ook meestal niet) een slag om de arm houden. Ze zouden zich meer open moeten opstellen zoals het publiek dat doet. Eigenlijk zouden we onze premières aan het eind van een serie moeten houden, maar tot nog toe was dat vrij moeilijk, omdat je dan te weinig publiciteit had om een volle zaal te trekken. Toch gaan we het nu op deze manier proberen. We hopen dat onze naam nu bekend genoeg is om voldoende publiek te trekken en dat ze samen met ons de voorstellingen naar een hoogtepunt brengen. Het gekke is dat er erg veel mensen zijn die twee keer naar onze voorstelling en komen, aan het begin en aan het eind van de serie. Die mensen zijn dan ontzettend enthousiast over de verschillen die ze hebben kunnen constateren. Misschien ook iets voor de critici?
Ineke: Er is in de laatste voorstellingen van "Famous Artists" en definitief in "Het Vermoeden" een nieuw gezicht bijgekomen: Peer Mascini, die twee seizoenen bij een bij jullie vergeleken gevestigd gezelschap heeft gezeten. Hoe gaat dat?
Dick: Peer heeft wel bij Baal gezeten,m maar daarvoor had hij samen met Ralph Wingens de tweemans
theatergroep Dzjats. Daarin deden zij dingen die qua visie op theater zo overeen kwamen met wat wij doen, dat het
bijna vanzelfsprekend was dat hij er bij kwam. Bovendien is zijn inbreng in de regie door zijn ervaringen bij Dzjats
en in zekere zin ook bij Baal van groot belang.
Ineke: Hoe staan jullie er financieel voor?
Dick: Nou, matig, maar beter dan in de afgelopen jaren. We krijgen nu in ieder geval een bedrag van C.R.M. en misschien oko van de Gemeente Amsterdam. Als dat het geval is zijn we voor 50% gesubsidieerd, de andere 50% moeten we zelf bij elkaar zien te brengen.
Ineke: Hebben jullie nog meer plannen behalve deze theaterproductie? Dick: Jazeker! Frans Weisz gaat een film met ons maken, die aan het eind van de zomer of begin herfst opgenomen gaat worden. De film is min of meer gebaseerd op "Famous Artists". We hebben zelfs een startsubsidie gekregen voor het script. Dat willen we wel door een professioneel iemand laten doen. Verder zijn er platenplannen. De muziek van "Het Vermoeden" zal op de plaat worden vastgelegd, evenals de filmmuziek. Tot slot hopen we in januari/februari 1978 te starten met een theaterproject, "Kooler" genaamd. Gerard Atema, de pianist uit het programma "Op Avontuur" is bezig de muziek te schrijven. Behalve wijzelf zullen de musici Ernst Spits en Rob Boonzaayer weer van de partij zijn en misschien wordt er nog een extra acteur aangetrokken. Dus je ziet, we hebben nog genoeg te doen.
De wonderlijke geboorte en het abrupte einde van Hauser Orkater zijn de boeksteunen van een periode in het Nederlandse theater waarvan de galm tot op heden doorklinkt. Hauser Orkater bracht tussen 1972 en 1980 een vorm van muziektheater die het toenmalige publiek direct aansprak. De expressieve en absurdistische mix van theater, mime en popmuziek was destijds volkomen nieuw en maakte snel school in Nederland.
Hauser Orkater ontstond uit de samenwerking van een Amsterdamse popgroep en een stel IJmuidense theatermakers. Men kende elkaar van de Grafische School en de Rietveldacademie in Amsterdam. Rob en Dick Hauser, Eddie B. Wahr, Thijs van der Poll, Chris Bolzcek en Gerard Atema repeteerden al lange tijd met hun band. Alex, Marc en Vincent van Warmerdam maakten deel uit van een actieve club theatermakers in het Witte Tejater in IJmuiden. Bij hen voegde zich nog Jim van der Woude. Het was een spontane vereniging van uiteenlopende talenten, die een hecht en hoogst creatief collectief zouden vormen.
De eerste optredens in 1972 onder de naam Hauser Kamerorkest op middelbare scholen in Haarlem en omstreken waren vormeloze combinaties van nogal ambitieuze popmuziek en clowneske sketches. Het was de basis voor het eerste theaterprogramma Op Avontuur, dat vanaf 1972 gespeeld werd. Toen de groep, inmiddels onder de naam Hauser Orkater (orkest/theater), het Amsterdamse Shaffy Theater ging bespelen, ging het snel met de populariteit. Hauser Orkater maakte achtereenvolgens de programma’s Famous Artists (1976), Het Vermoeden (1977), Entree Brussels (1978) en Zie de Mannen Vallen (1979). De voorstellingen werden honderden keren gespeeld, ook in het buitenland. Vooral in Parijs maakte Hauser Orkater furore. De krant Le Monde noemde de groep ‘elf Buster Keatons op bezoek bij Beckett’.
Al tijdens de tournee van Het Vermoeden in 1978 werd besloten dat de volgende grote voorstelling van het collectief de laatste zou zijn. In Frankrijk werd op de valreep Zie de Mannen Vallen uitgeroepen tot de beste buitenlandse voorstelling van het seizoen.
De fans bleven achter met mooie herinneringen. En met de drie elpees: Op Avontuur uit 1974, Hauser Orkater uit 1978 en Zie de Mannen Vallen uit 1979. De platen werden gekoesterd, want ze riepen de voorstellingen in herinnering.
Maar ook als albums waren ze sterk. In die tijd was Nederlandstalige popmuziek nog zeldzaam. De songteksten (de meeste van Alex van Warmerdam) haakten zich vast in het geheugen. Menig fan van het eerste uur zal nu na 25 jaar de liedjes nog moeiteloos meezingen. Het vinyl verdween en daarmee de elpees van Hauser Orkater. Maar de originele opnamen bleven in de kluis van EMI/Bovema wachten op een heruitgave op cd. Dat is gebeurd. De dubbel cd bevat de albums Hauser Orkater en Zie de Mannen Vallen.
In 1980 hield het collectief Hauser Orkater op te bestaan en gingen de verschillende leden in wisselende en nieuwe samenstellingen voorstellingen maken onder de naam De Horde, De Mexicaanse Hond en Orkater.